`Afghanen zijn gewend om dood te gaan'

In 1982 trok archeoloog-historicus Willem Vogelsang in Afghanistan op met de mujahedeen. Nog altijd volgt hij de gebeurtenissen op de voet. `De staat Afghanistan is weg.'

`De aantrekkingskracht van Afghanistan ligt voor mij in de onafhankelijkheid van zijn bewoners. Bij de Pathanen in het zuiden, de grootste bevolkingsgroep, trof me hun trots. Ze zijn trots op hun cultuur, op het feit dat ze de Britten hebben weerstaan. Nooit zullen ze naar je lachen. Ze kijken naar je en dan kijken ze weer opzij. Vergelijk dat met Pakistan, waar ze direct met twintig man om je heen staan en je knijpen om te zien of je vel wel wit is. Afghanen zijn een hard volk, ze zijn gewend om dood te gaan. Religieus fanatisme is de traditionele leiders vreemd. `De ene helft van de koran is mooi, de andere helft schrijven we zelf wel', vertrouwde zo'n grijsaard me toe.''

In de Nonnensteeg in Leiden, om de hoek bij het Academiegebouw, heeft Willem Vogelsang in de kelder een werkkamer met kleurige tapijten en met brede ramen op de Hortus. Deze week verschijnt van zijn hand The Afghans, een gedegen overzichtsboek waarin de lange en roerige geschiedenis van Afghanistan in de volle breedte aan bod komt, van de Indo-Iraanse invasies in het tweede millennium voor Christus via de veldtochten van Alexander de Grote en Djengis Khan tot de Russische bezetting en de opkomst van de Talibaan. Wie Afghanistan in zijn wortels wil begrijpen kan niet om dit boek heen.

Sinds zijn promotie in 1990, een studie naar het Oudperzische Rijk der Achaemiden, is Vogelsang secretaris van de Leidse onderzoekschool voor Aziatische, Afrikaanse en Amerindische Studies. Hij publiceerde over de geschiedenis en archeologie van Iran en Afghanistan en samen met zijn vrouw doet hij het project `kleding en identiteit in Iran'.

Vogelsang studeerde Sanskriet en Oud-Iraanse talen, maar zijn eerste liefde was archeologie. Na zijn kandidaats kon hij in 1978 mee met een Britse opgraving in Kandahar. ``De marxistische revolutie was toen al geweest. Ik kwam in een land dat in snel tempo bezig was te veranderen. De hasjwalmen, de rust, de afwezigheid van auto's, het was allemaal heel vreemd maar allengs werd het onrustiger. Er werd gevochten en er waren hele streken waar je niet doorheen kon. Medio 1979 moesten we terug, het werd te eng. Het probleem was dat je in de jaren zestig in Kabul een grote groep goed opgeleide jongeren had die niet hogerop kon omdat het establishment dat blokkeerde. Dan kun je linksom of rechtsom, via de weg van het marxisme of die van het fundamentalisme. Binnen één familie verschilde de keuze per broer. Verzetsleider Ahmad Sjah Massoed van de Noordelijke Alliantie, een maand geleden vermoord, had een broer die in de jaren tachtig voor het marxistische bewind vocht. Fundamentalisten en marxisten, beide georganiseerd in cellen, hebben elkaar afgemaakt. Afghanistan als staat bestaat niet meer.''

U bent in 1982 een paar maanden opgetrokken met islamitische strijdgroepen, de mujahedeen. Hoe was dat?

``Ik was 22, net afgestudeerd en had even niets om handen. Ik arriveerde 's nachts in Peshawar bij familie van een verzetsleider die naar Pakistan was gevlucht. Al de volgende morgen werd ik over de grens gezet. Ik had mijn haar en mijn wenkbrauwen zwart geverfd en droeg Afghaanse kleren. Drie maanden heb ik door Oost- en Centraal-Afghanistan getrokken, als een postpakketje werd ik van de ene aan de andere verzetsgroep doorgegeven. Ik ben door mijnenvelden gelopen en heb geschoten. Voor mortieraanvallen of bombardementen schuilde je in eeuwenoude ondergrondse irrigatiekanalen, vanuit de lucht herkenbaar door rijen molshopen van uitgegraven grond. Soms gooiden de Russen er benzine in om de zaak af te fikken. Om op een mujahedeen te lijken droeg ik een bandolier en had een Kalashnikov over de schouder. Het probleem was alleen dat mijn haren na een tijdje blonder werden. Toen ik in een dorp als eerste uit een Jeep stapte werd er direct geschreeuwd: `Er komt een Rus aan!' Snel zetten mijn metgezellen de zaak recht, de wapens waren al op me gericht. Ze hebben me goed beschermd.''

Hoe sterk hebben de Pathanen zich nu verbonden aan de religieuze identiteit van de Talibaan?

``In de jaren tachtig, toen de Sovjetunie met 100.000 man in Afghanistan aanwezig was, kwam de hele bevolking in opstand. Maar die opstand werd niet centraal geleid. Elk dorp, elke vallei had zijn eigen verzetsgroep. De officiële leiders van de Pathanen zijn óf gedood óf naar het westen gevlucht, de hechte sociale structuur viel totaal weg. Wat eind jaren tachtig, toen de Russen vertrokken, resteerde waren lokale commandanten met veel wapens en geld,geleverd met steun van het westen. Samen hadden die groepjes tegen de Russen gevochten, maar ook tegen elkaar.

``Na het wegvallen van de buitenlandse vijand, en het instorten in 1992 van het marxistische bewind in Afghanistan, gingen de Pathanen onderling vechten. Vooral in de omgeving van Kandahar was het raak. Je kon niet meer over straat, steeds stuitte je op roadblocks met weer een andere commandant die geld vroeg een geweldige chaos. In 1994 keerden de Talibaan, Pathaanse religieuze studenten die als kind Afghanistan waren ontvlucht en in Pakistan in fundamentalistische koranscholen waren geïndoctrineerd, naar hun vaderland terug. Ze zagen de ontsporingen aan, waarna ze onder leiding van hun charismatische leider Mullah Mohammed Omar, en onder de banier van de islam, de strijd aangingen. Binnen enkele maanden hadden ze heel Zuidoost-Afghanistan onder controle. De meeste Pathanen schaarden zich achter de Talibaan, die brachten rust en vulden het machtsvacuüm. Pas later bleek hoe fanatiek ze hun denkbeelden de bevolking oplegden. Omdat ze hun macht zijn kwijtgeraakt keren de traditioneel denkende Pathanen op het platteland, waar het stammenverband nog intact is, zich steeds meer zich tegen de Talibaan.''

De oorlog is nu een maand aan de gang en veel schot lijkt er niet in te zitten. Hoe moet het verder?

``Er zijn een stuk of 55 volkeren die wonen binnen de landsgrenzen van wat wij Afghanistan noemen, maar de staat Afghanistan is weg. Er is geen structuur meer die die volkeren verenigt. Hoe herstel je dat? Dat lukt alleen door alle volkeren die er nu leven, zeker de grotere, het idee te geven dat ze zeggenschap hebben in de nieuw te formeren regering. Laat ze alle een minister naar Kabul afvaardigen, of zoiets. In de rest van het land zal zo'n regering weinig invloed hebben, de etnische groeperingen zullen het in de valleien zelf moeten uitzoeken. Laat ze vechten, kijk de andere kant op, wees flexibel. De Hazara's, sjiieten met een Mongools uiterlijk, zijn in 1883 door de soennitische Pathanen afgeslacht en de bergen ingedrukt. Die haat gaat nooit meer over. En veldheer Abdul Rashid Dostum, de held van de Oezbeken binnen de Noordelijke Alliantie, stond aan de kant van de marxisten en is door hen in de jaren tachtig naar Kandahar gestuurd om tegen de Pathanen te vechten. Als dat straks in één regering moet geeft dat spanningen, zacht uitgedrukt.

``Maar probeer toch beetje bij beetje weer een staat op te bouwen. Begin met in Kabul een universiteit te stichten, met beursstudenten. Zo maak je mensen afhankelijk van de staat. Richt een politiemacht in van honderd man. Kleine dingen die de mensen het idee geven dat ze belang hebben bij het voortbestaan van de staat. Vooral niet overhaast te werk gaan maar langzaam opbouwen, vergelijkbaar met de manier waarop Amir `Abd al-Rahman in de negentiende eeuw de Afghaanse staat vorm gaf. Ook die begon met het stichten van een kleine middelbare school om daarna de hoofdstad onder zijn gezag te brengen. Daarbij gebruikte hij de islam handig als bindmiddel: de Britten waren kafirs en wie tegen de Amir was toonde zich een slecht moslim.''

Is er in dit proces nog een rol voor de Talibaan?

``Zo'n Afghaanse regering van nationale eenheid kun je pas vormen als je van de Talibaan af bent. Die moeten weg, geen twijfel aan. Maar je krijgt ze pas weg als hun achterban, de Pathanen, de Talibaan loslaten. We zullen ervoor moeten zorgen dat de Pathanen in de gaten krijgen dat de Talibaan hun belangen niet behartigen. Wat de Amerikanen nu in Afghanistan uitrichten is geloof het of niet vrij subtiel. Natuurlijk vallen er bommen, maar het blijft toch vooral een diplomatieke oorlog. De Amerikanen en Pakistanen gebruiken tal van middelen om de Pathanen van de Talibaan los te weken: wapens, diplomatieke druk, het sluiten van de grens met Pakistan of het verlenen van steun aan de Noordelijke Alliantie. Maar Amerika moet oppassen. Bij te veel steun aan de Noordelijke Alliantie heb je kans dat die niet alleen Mazar-i-Sharif maar ook Kabul inneemt. Dan wordt Pakistan boos en is het risico groot dat de Pathanen zich weer achter de Talibaan scharen om de niet-Pathanen, waar ze een enorme hekel aan hebben, te gaan bevechten. Het is een subtiel diplomatiek spel wat zich nu om Afghanistan afspeelt, een soort koorddansen. Bovendien hebben de Talibaan steun van duizenden Arabieren.''

Wat is na het opblazen van de boeddhabeelden in Bamiyan, afgelopen maart, de positie van de archeologie in Afghanistan?

``In de vorige eeuw is archeologie in Afghanistan gebruikt door seculiere krachten, en de Talibaan als religieuze macht is daar niet van gediend. Archeologie is betrekkelijk jong in Afghanistan. Sinds de negentiende eeuw hebben Afghanen altijd geprobeerd om buitenlanders buiten te houden. Pas toen het land na drie conflicten met de Britten een internationaal erkende staat werd, en er op initiatief van emir Amanullah in 1923 een liberale grondwet kwam, hebben ze de Fransen gevraagd opgravingen te doen. Die grondwet zei dat alle Afghanen gelijke rechten hadden, ook sjiieten en vrouwen. De Pathanen hadden, althans op papier, geen streepje meer voor. Dat was een radicale breuk met het verleden, waarin de stamhoofden het voor het zeggen hadden. Die kwamen dan ook in opstand, waarna de grondwet is aangepast. De veranderingen gingen gewoon te snel. Doel was een seculiere staat, al bleef de islam de officiële godsdienst. In die tijd speelde ook nationalisme. Net als in het Turkije van Atatürk en in het Iran van de sjah spoelde na de Eerste Wereldoorlog een moderniseringsgolf over Afghanistan. Als we geen ideeën van het westen overnemen, redeneerde de elite, worden we weggevaagd. Die elite was afhankelijk van de staat. Een staat heeft wortels nodig en archeologisch onderzoek voorziet daarin. De Afghanen waren trots op hun pre-islamitische verleden, het vertelde hoe belangrijk ze geweest waren.

``In het museum van Kabul, opgericht in de jaren dertig, stond dat glorieuze verleden uitgestald. Begin jaren negentig is het geplunderd. Veel van die stukken zijn via Pakistan op de westerse markt beland, miljoenenhandel. Vorig jaar augustus is het museum in Kabul door de Talibaan nog heropend. Trots toonden ze de stukken die er nog stonden, grote blokken die niet te vervoeren waren. Helaas is men in maart van dit jaar van gedachten veranderd en is alles alsnog vernield. Het wrange is dat Afghaanse archeologen in de jaren negentig met hun kunstschatten geleurd hebben bij westerse musea. Of ze het in bruikleen wilden nemen, dan was het tenminste veilig. Om ethische redenen is toen nee gezegd. Unesco mag er op hameren dat kunstschatten in het land zelf horen maar wat doe je als de mensen het zelf vernielen?''

En hoe moet het met de koning?

``Hij is net 87 geworden. Koning Zahir is blind, kan niet lopen en lijdt aan reuma. Men zoekt leiders die de plaats van de Talibaan kunnen innemen en die voor de meeste Afghanen acceptabel zijn. Maar is hij dat? En wil hij terug? Misschien kan een kleinzoon wat doen.''

Wanneer gaat u weer terug naar Afghanistan?

``Ik ben er sinds 1982 niet meer geweest. Maar het land blijft trekken. In Teheran onderhoud ik contacten met Iraniërs die in Afghanistan werkten. Via hen hoopte in naar Kandahar te kunnen, maar de oorlog gooide roet in het eten. Ik zou er nu graag rondstappen, opsnuiven wat bij de Pathanen de atmosfeer is. Staan ze nog als één man achter de Talibaan? Nee, denk ik. Die demonstraties in Pakistan zeggen me niet veel. Dat zijn ontwortelde Pathanen, miljoenen zijn er gevlucht. En de toekomst van Osama Bin Laden, die natuurlijk niet in het noorden kan schuilen omdat de Tadzjieken hem direct zouden afmaken, zie ik somber in.''

Willem Vogelsang. The Afghans. Blackwell Publishers, 2001. Geïll., 382 blz., $27.95. ISBN 0 631 19841 5.

Bij uitgeverij Bulaaq verschijnt half december een bekorte Nederlandstalige versie: Afghanistan, een geschiedenis.

    • Dirk van Delft