Zot Polleken slaat terug

Elk nieuw talent is in het twintigste-eeuwse Vlaanderen gestaafd aan Paul van Ostaijen. In een grondige dissertatie over de invloed van deze jong gestorven dichter-goochelaar tartte Geert Buelens de wetten der wetenschap — uit liefde voor taal.

De Belgische rockmusicus Arno Hintjes vertrouwde de televisiekijker onlangs toe dat hij zich `toch een beetje een Pol van Ostaijen voelt'. Met zijn rauw melodische zangdichten voelt hij zich nauw verwant met de dichter die dingen zei als `in den beginnen was het lallen' en `den kunstenaar is een attractienommer'. Ook de `Laatste Grote Poëtische Belofte Van Net Voor De Derde Wereldoorlog' Tom Lanoye kan het niet laten tijdens zijn optredens zijn eigen werk `een beetje met dat van Pol van Ostaijen te fusen'. Geen Vlaming die Van Ostaijen niet kent of hem bewondert, geen dichter of performer die zijn werk niet op strategische momenten van de plank pakt.

Paul van Ostaijen (1896-1928) was zijn tijd ver vooruit. Als een Jimmy

Dean stierf hij jong, 32 jaar. Niet door roekeloos rijden, maar door roekeloos schrijven. Terwijl hij rust nodig had en frisse Alpenlucht, zat hij in het Brusselse te werken aan recensies en een nieuw tijdschrift. Zoals vaker met publieke figuren die jong sterven, kwam voor Van Ostaijen de populariteit postuum. `Vooruit dan maar, zonder supporters!' schreef hij toen E. du Perron hem afviel. Die had eerst nog om Van Ostaijens eersteling Music-Hall gesmeekt, maar vond Van Ostaijen bij lange na niet de interessantste Nederlandse dichter, laat staan de `relatief beste criticus'.

Inmiddels, zeker sinds het uitgebreid gevierde Van Ostaijen-jaar 1996, zal geen literatuurliefhebber Van Ostaijen nog overslaan. Meest geliefd zijn de typografische gedichten uit Bezette stad, de Zeppelin in de vorm van een Zeppelin bijvoorbeeld, en de ogenschijnlijk eenvoudige kinderversjes uit de nagelaten gedichten als `Marc groet 's morgens de dingen'. Geen bloemlezing of er staat een gedicht van hem in.

Extase

Van Ostaijens poëzie ontwikkelde zich van mystieke lyriek naar steeds meer taalspel, hij wilde niet over een vis dichten, hij wilde een `VIS' zijn. Toch bleef er een ondertoon van mystieke extase. `Evenals de extase', zo legt hij in zijn essay `Gebruiksaanwijzing der lyriek' uit, `heeft de poëzie eigenlijk niets te vertellen, buiten het uitzeggen van het vervuld zijn door het onzegbare.' Deze mystieke eenvoud, samen met de speelsheid vol diepgang, het muzikale, de kortheid van zijn gedichten en de moderne onderwerpen maakten na zijn dood de weg vrij voor een groter publiek en gaven hem een eeuwig verfrissende status. Zo begint het gedicht `Gedicht':

En elke nieuwe stad

bloem die welkt

herfst vergeelt het blad

zijn alle steden zo

zijn zij alle zo

zo zijn alle

Deze moderne weemoed is nog steeds herkenbaar.

Van Ostaijen had veel contact met avant-gardistische schilders; zo was hij geïntrigeerd door de ideeën van Wassily Kandinsky, bewonderde hij eveneens `het unanimisme van Romains, het activisme van Hiller, de associatieve dynamische verzen van Apollinaire, de resonerende woordkunst van Stramm, het klankspel van Gezelle'. Geen wonder dat hier een brede poëtica uit voortkwam, waar zich vele etiketten op laten plakken: surrealist, dadaïst, expressionist, postmodernist, nihilist en wat al niet meer. Omdat Van Ostaijen zich op een snijvlak van diverse stromingen bevond en die stromingen eigenzinnig in zijn poëtica samenbracht, blijft hij iedere vernieuwende generatie steeds opnieuw inspireren.

Over Van Ostaijens poëtica en de nawerking daarvan in de Vlaamse dichtkunst, gaat de grote studie Van Ostaijen tot heden van Geert Buelens. Hij moet jaren bezig zijn geweest met deze steeds meer uitdijende dissertatie. En onderwijl publiceerde hij, net als de jonge Van Ostaijen, als een bezetene. In 1996 publiceerde hij met Georges Wildemeersch een kroniek voor de catalogus Paul van Ostaijen, 1896-1928, met Erik Spinoy voerde hij de redactie over De stem der Loreley, een bundel vernieuwende essays over Van Ostaijens `lokstem', en met Tom Lanoye stelde hij De poes voldeed samen, een herdruk van Van Ostaijens essays en kritieken. Bovendien is Buelens redacteur van Yang, recenseert hij poëzie voor De Morgen en is hij zelf dichter.

Van Ostaijen tot heden biedt iedere geïnteresseerde een toegankelijke en zelfs vaak vermakelijke leidraad voor de Vlaamse poëziegeschiedenis. Het is alsof een nieuwe Piet Calis is opgestaan: iemand die de wetten van de wetenschap tart uit liefde voor taal en literatuur. De poëtica van de lezer, in dit geval Buelens zelf, bepaalt hoe het beeld van Van Ostaijen eruit ziet.

Dat geldt net zo goed voor de geestverwanten die Buelens op zijn beurt weer beschrijft. Hij raadt de lezer daarom aan tegenover zijn `interpretatieve paranoia (`zie je wel, alles hangt met alles samen')' anti-paranoia te stellen (`niet de besproken auteurs, maar de onderzoeker zélf lijft Van Ostaijen in'). De lezer zij gewaarschuwd: dit is een subjectieve studie, waarin gedurfde uitstapjes niet geschuwd worden.

Soms zijn die wat breedvoerig, hoewel Buelens alles veelal net op tijd bij elkaar weet te houden. Zijn breedvoerigheid zorgt voor dikke hoofdstukken, die op zichzelf al boekwerken lijken. Zo beslaat het inleidende hoofdstuk over Van Ostaijens theorieën ruim tweehonderd bladzijden. De `uitvoerige reconstructie' moet de suggestie wegnemen dat Van Ostaijen door de breedheid van zijn poëtica voor ieder karretje te spannen valt. Want zelden heeft `een dichter zich zo vaak en zo expliciet uitgelaten over zijn ideeën'. Hoe expliciet ook, Van Ostaijens ideeën evolueerden toch van kamp A naar kamp B: van humanitair expressionisme, waarin de geest van de Vlaamse Beweging waart, tot organisch expressionisme, waarin de taal ís in plaats van vertelt. Die diversiteit komt natuurlijk wel degelijk in uiteenlopende dichterskramen te pas.

Doordeweeks

Na zijn dood staafde men ieder nieuw talent aan Van Ostaijen. `Sedert Paul van Ostaijen is Bert Decorte het eerste fenomeen', schrijft Marnix Gijsen in 1937, `het eerste wonderkind dat wij in de Vlaamse poëzie zien verschijnen.' Maar Decorte bleek een `doordeweeks talent'. Behalve om `nieuwelingen' te ontmaskeren werd Van Ostaijen ook ingezet als gezagsargument om ánders te dichten: `Na een korte revival van typografische experimenten die zijn uitlopers zou vinden in de Vlaamse vertegenwoordigers van de internationale neo-avant-gardestroming van de concrete poëzie [..], zouden vooral de andere Van Ostaijen-innovaties gemeengoed worden in onze poëzie: het doorbreken van de syntaxis, de veel voorkomende ellips, het directe, associatieve beeldgebruik, de nadruk op het woord eerder dan op de betekenis [...] kleurden vanaf het midden van de jaren vijftig het gros der Vlaamse gedichten.' Iemand als Tom Lanoye zette Van Ostaijen weer in als performer: wat `Zot Polleken' mocht, mag in deze moderne tijden toch zeker ook wel? En Holvoet-Hanssen blijkt net als Van Ostaijen een `dichter-goochelaar'. Gedichten moeten voor Holvoet-Hanssen `een belevenis zijn, niet geschreven lijken'.

Buelens zelf is ook zo'n goochelaar. Hij verleidt de lezer. Hij maakt grapjes, hoewel niet zonder ernst. Titels als `Intermezzo waarin de Poëticastudie het aan de stok krijgt met de Culturele Studies', `The Glorious Return of Zot Polleken' of een van de zeer handige thema-aanduidingen in de kantlijn als `de bijsluiter' zeggen voldoende.

Buelens is daarmee wellicht te speels voor onze wetenschap. Daar komt bij dat hij zich uitsluitend richt op de Vlaamse poëzie. Daar heeft hij wel een reden voor: `In Vlaanderen is het onmogelijk om Van Ostaijen `neutraal' te gebruiken: zijn naam alleen al staat garant voor poëticale twist en commotie.' Die twist en commotie waren nu juist de reden van zijn onderzoek.

En toch was het mooi geweest als Buelens ook de Nederlandse dichters in zijn verhaal had betrokken. Het blijft jammer om maar de helft van het taalgebied te belichten. Maar het is nog niet te laat. Als Van Ostaijen hem nog niet de keel uithangt, zou Buelens alsnog het Nederlandse verhaal kunnen doen. Deze lezer is tenminste zeer benieuwd naar de verwantschap tussen gedichten van Van Ostaijen en René Puthaar, of Ilja Leonard Pfeijffer. Zijn de gedichten `lilalente' en `klinkt lolola' uit Pfeijffers Het glimpen van de welkwiek niet verwant met `Lentelied' en `Juffer Lola' uit Music-Hall?

Hopelijk vindt de wetenschappelijke waaghals Buelens nog voldoende tijd om het beeld van Van Ostaijen tot heden te completeren met een dunnere, Nederlandse versie. Dat is aan hem immers welbesteed.

Geert Buelens: Van Ostaijen tot heden; Zijn invloed op de Vlaamse poëzie. Vantilt, 1.302 blz (2 delen). ƒ99,-

    • Fleur Speet