We hebben alles, maar waarom eigenlijk?

Is het westen decadent, zoals alarmisten beweren? De Frans-Amerikaanse cultuurhistoricus Jacques Barzun meent van wel. Hij schreef er een erudiet en vuistdik boek over, dat opent met een Reformatorische knal en eindigt met een decadente zucht: de late twintigste eeuw.

Alle strijdkreten ten spijt, worden we door de loop die de geschiedenis in september heeft genomen, gedwongen niet alleen vóóruit, maar vooral ook zonder illusies terug te kijken. Dit is, zeker in crisistijd, geen onverdeeld genoeglijke exercitie. Er wordt genoeg gediscussieerd, zeker. Maar juist doordat alle verdedigers, aanvallers en sceptici het woord 'cultuur' op de lippen bestorven ligt en de cultuurrelativisten en cultuurpessimisten zich bij nacht en ontij roeren, dreigt oververzadiging en vlucht. Vlucht uit die onontwarbare kluwen die onze cultuurgeschiedenis is, en vlucht voor de verantwoordelijkheid om een zinnig antwoord te formuleren op de vraag hoe het nu allemaal zo ver gekomen is. Thus conscience makes cowards of us all, zei Hamlet, icoon van de westerse denkende mens, de intellectueel. Overdaad aan cultureel zelfbewustzijn verlamt.

Er is maar één manier om de toon van de kansel — ook dezer dagen al te vaak gehoord — te omzeilen of desnoods te sublimeren: ironie. Daarom zijn de indrukwekkendste van de historici van verval en neergang in het westen ironici, Tacitus en Gibbon voorop. Hun ironie betekent behoud van zelfrespect in barre tijden. Anderzijds vraagt het bepalen van de zogenaamde westerse waarden, nu ook weer hoeksteen van een grote coalitie, om synthese. Wat we nodig hebben is dus een ironisch synthetische cultuurgeschiedenis. En die is, vorig jaar, geschreven door Jacques Barzun.

Synthetische cultuurgeschiedenis is in wetenschappelijke kring, waar de specialisatie heerst, niet meer bon ton. Misschien heeft de, nu vertaalde, grote synthese van de Frans-Amerikaanse historicus Barzun (geboren in 1907!) daarom totnutoe niet de aandacht gekregen die hij verdient. Maar de 877 vol bedrukte bladzijden van From Dawn to Decadence hebben na 11 september een nieuwe, brandende actualiteit gekregen. `Een tijdperk is ten einde' galmde het koor van pratende hoofden. Een dramatischer coda had Barzun zich niet kunnen wensen.

En het begon allemaal zo mooi. Haast geen periode in de westerse cultuurgeschiedenis is immers zo'n feest van creativiteit en energie als de Renaissance. Toch selecteert Barzun niet de creatieve energie van die Italiaanse Renaissance als ons ochtendgloren, maar de latere Reformatie. Niet de ravissante, parelende hoog-Renaissance in Rome aan het begin van de zestiende eeuw, met haar sociale en intellectuele dynamiek en integratie van disciplines, kennis en revelatie, niet Raphael en Leo X, maar Luther en Calvijn met hun somber demasqué komen als eerste protagonisten voor het voetlicht. De Reformatie ontmantelt namelijk het schone vertoon van de Renaissance, scheidt mens en God weer en postuleert de gepredestineerde mens, ondergeschikt aan - en speelbal van - een strenge God. Dit begin stelt Barzun in staat om in te zetten met westerse hoofdthema's als primitivisme, individualisme en zelfbewustzijn, thema's die volgens hem uiteindelijk tot decadentie zullen leiden.

Want Barzun is een ouderwetse cultuurpessimist. Hij ziet in het begin van zijn cultuurgeschiedenis al de wortels van het einde ervan. Je zou haast zeggen omdat ze in Barzuns interpretatie in onze genetische code zijn verankerd. Daarom benadrukt hij de breuk tussen de vijftiende en de zestiende eeuw, waar nadruk op continuïteit misschien meer voor de hand lag. En zo legitimeert hij zijn keuze voor de periode van 1500 tot het heden.

Daar is wat voor te zeggen. Maar ook op aan te merken: dat Reformatie en Renaissance — ondanks hun verschil in temperament — niettemin een methode en focus delen, bijvoorbeeld. Ze zijn niet te scheiden. Maar Barzun vertelt een verhaal, en daarvoor moeten nu eenmaal knopen worden doorgehakt. En dat doet hij graag, zo blijkt het hele boek door.

Een andere eerste kanttekening bij het relaas van Barzun is dat, als we zijn boek volgen, de explosies van 11 september niet zozeer als een aanval van buitenaf moeten worden geïnterpreteerd, maar veeleer als een implosie. Een vertraagde implosie wordt althans in From Dawn to Decadence voorspeld. Een dergelijke stellingname kan gemakkelijk als navelstaren worden opgevat: het westen denkt bij Barzun over zichzelf, maar ook voornamelijk áán zichzelf. Voor de buitenwereld en `het andere', zoals de islam, is in zijn boek weinig plaats.

Toch blijkt dit navelstaren instructief. Juist de interne oorzaken van de huidige crisis zijn misschien wel de belangrijkste: niet voor niets bedienden de terroristen zich op 11 september van een scala van hyperwesterse middelen, van kerosine tot massavervoer. Hoe kwetsbaar het westen is, en dus hoezeer door interne factoren verzwakt, mag blijken uit het feit dat die hyperwesterse middelen slechts een zakmes als catalysator nodig hadden om tot wapen voor vernietiging te kunnen worden aangewend. Enige introspectie is dus in ons geval misschien zo gek nog niet.

Barzun heeft een geleerd, geestig, origineel, spannend en prikkelend eigenzinnig boek geschreven, dat door studenten zou moeten worden gelezen. Maar waarschijnlijk is het voor velen al te hoog gegrepen omdat jaartallen grotendeels ontbreken, en de grote lijn van de West-Europese geschiedenis als bekend wordt verondersteld. Die constatering maakt deel uit van de onverteerbare diagnose: we verkeren in een toestand van decadentie, bijvoorbeeld in het onderwijs, alle vrolijke uitnodiging tot actualisering, aanpassing en powerpoint-presentatie ten spijt. Maar niet alleen de toestand van het onderwijs duidt natuurlijk op decadentie: de toenemende kloof tussen arm en rijk, de ineffectiviteit van de publieke sector, de vlucht in hedonisme en de versimpeling van onze belangrijkste waarden tot slogans — ze spreken boekdelen. Barzun wijt dat aan de onvrijheid en nivellering die hij ziet in de moderne massacultuur. Het heeft nu dan ook, zo lijkt het, weinig zin om de loftrompet over de vooruitgang en de universaliteit van de westerse waarden te steken zolang we die schaduwkant niet willen erkennen. Maar het besef dat onze cultuur in een impasse verkeert hoeft niet alleen destructief te zijn, het kan integendeel zelfs constructief zijn, hoe bang velen ook voor dat besef zijn.

Afgezien van de methode (het grote overzicht), zet ook de boektitel Barzun in een weinig modieuze, traditionele, zo niet ronduit rechtse hoek — dat is ook ongetwijfeld de reden geweest voor de onbegrijpelijke beslissing van de Nederlandse uitgever om de titel te vertalen als Van Wieg naar Volwassenheid. Het cultuurpessimisme dat zo kloek klinkt uit het gebruik van het woord `decadentie', werd klaarblijkelijk voor het Nederlandse poldermodel niet kassavaardig genoeg geacht. Ook het zonder toelichting weglaten van een flink aantal hoofdstukken in de Nederlandse editie, waaronder een aantal van de leukste, is een probleem.

Maar is Barzuns decadentie wel zo angstaanjagend?

Zoals gezegd is de ironicus Gibbon, in zijn Decline and Fall of the Roman Empire, voltooid in 1784, een van degenen in wier voetspoor Barzun treedt. Gibbons verval (Nederlands voor `decadence') eindigt in 1453 met de inname van Constantinopel door de Ottomaanse Turken. Barzun begint in 1500, en als hij even doorgeschreven had zou hij hebben kunnen eindigen met de aanval op New York door islamitische fundamentalisten. Belangrijker echter is, dat op de val van het Oost-Romeinse Rijk de Renaissance volgde, de dageraad van de moderniteit. Wie weet dus wat ons nu te wachten staat? Daar komt bij, dat decadentie niet zozeer een eindstation in onze cultuur lijkt, als wel een soort derdedaagse koorts: het is niet van gisteren. Het zestiende-eeuwse maniërisme kan al als decadent gezien worden (een kans die Barzun laat liggen). De eindfase van het ancien régime in de achttiende eeuw wordt vervolgens door hem wèl als decadent aangemerkt, evenals het negentiende-eeuwse fin de siècle. We zijn hier in het westen al bijna aan onze koortsaanvallen gewend geraakt, zou je haast denken.

Hoe voelt dat nu volgens Barzun, decadentie? Niet zozeer lamlendig als wel rusteloos, meent hij: `En als ik het heb over decadentie, bedoel ik vooral verval. Dit wil niet zeggen dat degenen die in een decadente tijd leven, geen energie, talent of moreel gevoel meer hebben. Het is juist een zeer actieve tijd, vol grote zorgen, maar bijzonder rusteloos omdat er geen duidelijke vooruitgang meer is. Het verlies waar deze tijd mee geconfronteerd wordt, is dat van een gebrek aan mogelijkheden.'

En wat dan te denken van de vooruitgang, vrijheid, democratie en emancipatie? Wel, het is er allemaal, maar waartoe, dat is de vraag. Want voor wie de implicaties van Barzuns relaas doordenkt, lijkt het of de grote thema's van de afgelopen vijfhonderd jaar (emancipatie, individualisme en primitivisme) zich hebben gedragen volgens de wet van Fresnel: licht plus licht is duisternis.

Dat de Reformatie, het startschot van Barzuns boek en de dageraad van de moderniteit, een primitivistische beweging is, lijkt evident. De terugkeer naar de bijbelse basis, de overgave aan de predestinatie en de obsessie met de microkosmos van het, vooral slechte, geweten spreken klare taal.

Maar in zekere zin geeft de katholieke reactie, in bijvoorbeeld het werk van Ignatius van Loyola en de Romeinse Contrareformatie, dat primitivisme lik op stuk. Ook hier spreekt de wens terug te gaan naar de kern, naar het wezen van ons zelf, en ons niet overmatig te beschaven eventueel tot versterving toe. Het thema keert terug in de Verlichting. Weliswaar heeft Rousseau ons niet, zoals Voltaire suggereerde, aangeraden maar weer op handen en voeten te gaan lopen, zijn oproep is toch om alweer terug te grijpen naar de stabiliteit van eerlijkheid en recht. Primitivisme is alomtegenwoordig in de negentiende eeuw: eerst in de Romantiek, dan van Wagner tot Tolstoi, van Tennyson tot Frazer. Over de primitivistische neigingen van de twintigste eeuw tenslotte hoeft niet uitgeweid te worden.

Ook het thema van het individualisme krijgt zijn oorsprong van Barzun toebedeeld in de Reformatie, met haar nadruk op het individuele geweten. En ook dat stroomt lustig voort via de Verlichting en de Romantiek met zijn belevingscultus tot en met de definitieve doorbraak van het recht op individuele voorkeuren en gevoelens in de twintigste eeuw. Emancipatie tenslotte van groepen en categorieën in geloof, landsaard, ethnische of raciale overeenkomst kan zelfs een blinde nog identificeren als rode draad door de moderniteit. Barzun gidst de lezer langs deze thema's met ironie en lichte tred, zonder topzware analyses, en hij lardeert ze met minibiografietjes van belangrijke, maar niet altijd bekende figuren. Je zou met de door Barzun uitgelichte karakters wel eens een avond aan tafel willen zitten. En waarom ook niet? Het zijn maar een kleine twintig generaties. Het wordt dankzij Barzun soms bijna denkbaar.

Het verhaal van From Dawn to Decadence leidt de lezer naar een aantal conclusies. Eén daarvan is de volgende: aangedreven door de motor van het steeds weer terugkerende primitivisme, hebben de gestaag voortgaande emancipatie en het steeds sterkere besef van (unieke) individualiteit elkaar te niet gedaan in een massamaatschappij die niet meer echt vrij, en dus niet geëmancipeerd is, noch werkelijk ruimte aan het individu biedt — het stilstaan in de file zegt genoeg. Drie wezenlijke, op zich onvoorwaardelijk toe te juichen tendensen, hebben zichzelf ongedaan gemaakt in een even merkwaardige als angstaanjagende zelfvernietiging. Licht plus licht is inderdaad duisternis geworden.

Barzun is door sommige critici verweten dat hij weinig nieuws vertelt. En inderdaad, zijn inspiratiebronnen zijn niet van vandaag: Gibbon is al genoemd, maar ook Voltaire, met zijn genuanceerde waardering van cultuur en staatkunde van Lodewijk de Veertiende in Le siècle de Louis XIV, is een belangrijke, hoewel hier niet genoemde bron.

Maar de ware deep throat van Barzun is Dostojevski. Wie zich door Barzuns vele bibliografische speldenprikken laat inspireren om af en toe een boek uit de kast te trekken, komt uiteindelijk terecht bij de Groot-Inquisiteur uit De Gebroeders Karamazov. Deze cynische negentigjarige (Barzuns leeftijd) ontmoet de even op aarde terugekeerde Christus, en laat Hem subiet opsluiten omdat de kerk inmiddels belangrijker is geworden dan Christus zelf. De mensen kunnen diens ultieme vrijheid, zijn grootste gave, nu eenmaal niet aan. Dostojevski's paradox is die van de Griekse tragici, van Homerus tot Shakespeare en Faust: het verlangen naar vrijheid en het verlangen naar veiligheid en bescherming in de gemeenschap zijn in de grond incompatibel. Ziedaar het drama dat wij steeds weer opvoeren.

Barzun is het met de Groot-Inquisiteur roerend eens: vrijheid en geborgenheid zijn onverenigbaar. De mensen blijven `zwak, goedgelovig, zondig, ijdel, rancuneus en vol halfbakken kennis verworven door een lectuur boven hun macht', en hun vrijheid brengt daar geen verandering in. Die sombere boodschap spreekt aan, want eerlijk is eerlijk: wij herkennen onszelf, en onze buurman, niet te vergeten. Maar jammer genoeg vergeet Barzun hier, in deze elegie, wel zijn belangrijkste wapen: de ironie.

De lezer van From Dawn to Decadence hunkert inmiddels naar soelaas. Dat wordt niet alleen geboden door de mooie en spannende momenten van het boek. Ook kan hij de auteur vaak betrappen op fouten en foutjes, altijd een prettige bezigheid, hoewel bij een dergelijke reuzenarbeid daarop wijzen gemekker in de kantlijn zou zijn. Werkelijk grote omissies zijn Barzuns blindheid voor ontegenzeggelijk grote verworvenheden van de twintigste-eeuwse cultuur als de cinema en de popmuziek. Want als al onze persoonlijke ellende ooit vergeten zal zijn, blijven er ook van óns meesterwerken over om te prikkelen en van te genieten, voor wie er oog en oor voor heeft. Dat heeft Barzun niet voor de twintigste eeuw, en dat is jammer.

Gaat onze cultuur naar de Filistijnen, om eens een weinig politiek correcte uitdrukking te gebruiken, die op een navrante manier van betekenis zwanger is? Barzun zelf is in zekere zin een Filistijn, een Droogstoppel, een mopperende Muppet die vanuit zijn loge onophoudeljk zit te kankeren. Hij betreurt het alleen dat deze categorie aan het uitsterven is: iedereen zingt tegenwoordig, zij het vals, mee in het modernistische koor. Bij Droogstoppel-Filistijnen als Barzun zijn we in goede handen, want het gemopper zet aan tot denken, en zo komen we verder.

Maar misschien is in de geschiedenis van het primitivisme wel een kleine maar belangrijke verandering van accent op zijn plaats. In de Discorsi van Machiavelli (een van Barzuns helden) identificeerde deze als reddende eigenschap van de Romeinse Republiek het vermogen om door crises, die de Romeinen telkens aan de rand van de afgrond brachten, zich te herenten op hun basiswaarden door verso il principio, 'terug naar de basis' te gaan. Terug naar het begin is niet terug naar af. Primitivisme hoeft geen barbarij te impliceren, maar kan een interne zuivering zijn, een weer helder voor ogen krijgen van onze doelen en onze identiteit. Dat vermogen is zelfs, zoals Barzun nota bene zelf laat zien, een wezenskenmerk van onze cultuur.

From Dawn to Decadence is, ondanks het feit dat de schrijver ervan het overgrote deel van zijn lange leven in de Verenigde Staten heeft doorgebracht, op een prettige manier doorspekt met een Frans perspectief op de geschiedenis. Misschien moet onze oude inquisiteur eens op een zondagmiddag bij de vijver in de tuin van het Parijse Palais Royal gaan zitten, broedplaats van revolutie en icoon van culturele continuïteit in Frankrijk. Hij zou dan `citoyens' van alle leeftijden, standen en overtuigingen in hartverwarmend otium zien lezen, spelen en praten. De vrijheid, gelijkheid en broederschap lijken op zo'n moment allerminst een dode letter.

Jacques Barzun: From Dawn to Decadence. 500 Years of Western Cultural Life; 1500 to the Present. Harper Collins, 877 blz. ƒ62,- (pbk) Jacques Barzun: Van de wieg tot volwassenheid. 500 jaar culturele geschiedenis van het Westen, van 1500 tot het jaar 2000. Byblos, 784 blz. ƒ75,- (pbk), ƒ95,- (geb)

    • David Rijser