Van keizers en gifzwammen

De uitspattingen van de eerste keizers van het Romeinse Rijk blijven tot de verbeelding spreken; niet alleen van (Britse) romanciers die in het voetspoor van Robert Graves (I Claudius, 1934) de wreedheden van bijvoorbeeld Caligula en Nero een nieuw leven geven, maar ook van Nederlandse vertalers. Na de hervertaling van Tacitus' Annalen door M.A.Wes en van Suetonius' keizersbiografieën door D.den Hengst, is er nu voor het eerst een vertaling verschenen van alles wat de Griekstalige Romein Cassius Dio (164-235? nC) over de Julisch-Claudische heersers heeft geschreven. De keuze van vertaler G.H.de Vries is een beetje eigenaardig want Vier keizers bevat niet Dio's fragmenten over de stamvader van de dynastie, Augustus maar het resultaat leest vlot en de annotatie is uitputtend.

De in de ambtenarij groot geworden Dio, schrijver van een Romeinse geschiedenis van de mythologische held Aeneas tot zijn eigen tijd, mist de gebeitelde stijl van Tacitus en de vileine roddelzucht van Suetonius, twee voorgangers die hij naar alle waarschijnlijkheid niet gelezen heeft. Zijn voorbeeld als Grieks historicus was Thucydides: anekdotes moesten wijken voor grote verbanden, en redevoeringen toonden het genie van de geschiedschrijver. Maar de gebeurtenissen uit de periode 14-68 na Christus zijn niet saai te maken. Zo leren we Tiberius kennen als een rechtvaardige nurks-met-een-gebruiksaanwijzing (mooiste uitspraak: `Ik wil dat mijn schapen worden geschoren, maar niet gevild'). Caligula is een megalomane sadist die er geen been in ziet om bij gebrek aan veroordeelde misdadigers het publiek voor de leeuwen te gooien (`Ik wou dat jullie één nek hadden'). De intelligente vrouwengek Claudius toont zich beurtelings kleinzielig en grootmoedig (`Tegen een vlo hoef je je niet op dezelfde manier te verweren als tegen een wild dier'). En de spreekwoordelijk wrede Nero blijkt een sick joker, die paddestoelen aanduidt als godenspijs omdat zijn adoptiefvader Claudius tot god verheven werd na het nuttigen van vergiftigde zwammen.

Die vergoddelijking (`apotheosis') van Claudius is het onderwerp van een hekeldicht van de filosoof Seneca dat toevallig ook dit jaar in het Nederlands werd vertaald. De zogeheten Menippische satire, bestaande uit proza en poëzie, heet eigenlijk `De verpompoening (`apocolocyntosis') van de goddelijke Claudius' maar kreeg in de Agora-editie van de jurist Henk van der Werf de titel De berechting van Claudius. Seneca, die in 65 op last van Nero zelfmoord pleegde, beschrijft nogal giftig hoe de in zijn ogen bloeddorstige, incapabele en onmatige Claudius na zijn dood in de onderwereld veroordeeld wordt tot het eindeloos dobbelen met een beker met een gat in de bodem. Vooral de parodie op een godenvergadering toont een andere, humoristische, kant van de wat brave stoïcijn die vooral bekend is door zijn brieven.

Overigens rijst uit het werk van Cassius Dio wéér een andere kant van Seneca op. In de tekst van het jaar 58 – Dio werkte in de annalistische traditie die de gebeurtenissen per kalenderjaar beschreef – wordt de zedenprekende ex-leermeester van Nero afgeschilderd als een losbandige, kruiperige en geldverspillende windvaan. Ook Dio, de man van de grote lijn, schrok kennelijk niet terug voor een sappige karaktermoord.

Cassius Dio: Vier keizers. Rome onder Tiberius, Caligula, Claudius en Nero. Uit het Grieks vertaald door G.H.de Vries. Athenaeum-Polak & Van Gennep, 302 blz. ƒ75,- (gebonden).

Seneca: De berechting van Claudius (Divi Claudii Apocolocyntosis). Uit het Latijn vertaald door Henk van der Werf. Agora/Pelckmans, 78 blz. ƒ24,90.

    • Pieter Steinz