Tluuíe... tluuíe... en dan flap!

Aan de noordkant van de kerk van Cornwerd liggen ze begraven, de drie gebroeders Roetema: Keimpe, Gerrit en Tjalling. Ze hadden deze stille plek op het kerkhof speciaal uitgekozen omdat ze hiervandaan op de dag van de wederopstanding meteen hun huisje aan de Zuiderzeedijk zouden terugzien. De drie ongetrouwde broers woonden er samen met hun zuster Sietske. Ze leefden van het wilsterflappen, de vangst van goudplevieren (in Friesland wilsters genoemd) met een slagnet. En ze wisten àlles van die vogels af, zo schrijven Joop Jukema en Theunis Piersma in hun pas verschenen boek `Goudplevieren en wilsterflappers'.

Voor veel oudere Friezen, maar ook in Groningen en de kop van Noord-Holland, was wilsterflappen een passie. Schuilend achter zijn skûle, een stuk zeil of een koeiendeken, wachtte de vanger elk najaar vanaf de eerste ochtendschemering tot laat in de avond op de komst van de goudbruin gespikkelde trekvogels. Het was een kwestie van wachten en koukleumen. Met een speciaal gesneden lokfluitje van vlierhout of een schapenpootje lokte de vanger de vogels naar zich toe. Ook werd gebruik gemaakt van zogenoemde stelten – kunstig gesneden en met levensechte veren beplakte lokvogels van turf, hout of papiermaché. Daarnaast werden levende lokvogels ingezet, goudplevieren of kieviten, die vastgebonden werden op een soort wip. Vanachter het scherm werd de wip aan een lang touw op en neer getrokken, waarop de lokvogel met zijn vleugels begon te wapperen. Daar kwamen soortgenoten op af.

De kunst was om precies op het goeie moment, geen tel te vroeg, maar ook niet te laat, het slagnet aan te trekken. De gevangen goudplevieren werden uit het net gehaald en meteen gedood. Meestal gebeurde dat door een krachtige beet van de vanger met zijn hoektanden aan de achterkant van het schedeltje – knak. Oudere vangers, die hun tanden verloren hadden, gebruikten een scherp steekinstrument, de prik.

Een wilster bracht gemiddeld 50 cent op, in de eerste helft van de vorige eeuw een riant bedrag. Zo'n veertien dagen later werd het vogeltje dan, geplukt en gebraden, voor een veelvoud van die prijs opgediend in de betere restaurants in Parijs, Brussel en vooral ook Londen.

De schrijvers hebben een groot aantal, merendeels hoogbejaarde, wilsterflappers opgezocht om de tradities, folklore en de vogelkennis uit dit vrijwel verdwenen wereldje vast te leggen. Bij het boek hoort een cd met fluitende goudplevieren – hun roep doet denken aan een slecht geolied scharnier – en vangers die bij de kachel in hun eigen streektaal, veelal onverstaanbaar maar sfeervol, vertellen over vroeger. Een Noord-Hollandse wilsterflapper weet nog precies hoe zijn vader hem 's avonds na het melken eropuit stuurde om verse schapenkeutels te verzamelen. Die moesten in een emmer met een scheut lauw water erbij, waarin het net dan een nacht werd geweekt. Zo kreeg het bleke katoenen net een bruine kleur, die in het land wat minder opviel, en een vertrouwde geur van schapenmest om de vogels niet af te schrikken. Het was eigenlijk niet bekend of goudplevieren konden ruiken, maar je wist maar nooit.

Het vak was met veel bijgeloof omgeven en wie een tip van een ander hoorde, probeerde die graag uit. De ene dag waren de vogels in geen velden of wegen te bekennen, een andere keer kwamen ze al van verre op de lokfluit af. De ene dag zaten ze als aan het gras genageld, de andere dag vlogen ze onstuimig heen en weer. Bij een briesje uit het zuidwesten was de vangst beter dan bij een straffe noordenwind, en bij nieuwe maan had je meer vangkans dan bij volle maan, misschien omdat de vogels zich dan in de maneschijn 's nachts al hadden volgepropt en overdag meer rustten. Want ook de regenworm – hun favoriete voedsel – schijnt in de maneschijn extra actief te zijn.

Goudplevieren spreken vanouds tot de verbeelding omdat ze op hun trek onwaarschijnlijk lange afstanden overbruggen. Amerikaanse goudplevieren die overwinteren op Hawaii, midden in de Stille Oceaan, vliegen moeiteloos zo'n 5.000 kilometer over open zee naar hun broedgebieden in Alaska. De Europese goudplevieren broeden op de toendra's in het hoge noorden. Pluvialis apricaria luidt hun wetenschappelijke naam: de regenvogel die een zonnebad neemt. Ze trekken min of meer met de vorstgrens mee, in zachte winters kunnen ze een hele tijd in ons land blijven hangen. Ze broeden bij voorkeur op schrale heiden en kaal, boomloos hoogveen. Met de ontginning van de woeste gronden is de goudplevier als broedvogel uit ons land verdwenen. Het laatste broedgeval was voorzover bekend in het Fochteloërveen in Friesland, in 1937. Sindsdien doen ze ons land alleen nog op doortrek aan.

Tot in de jaren zestig waren er honderden professionele wilsterflappers actief, vaak kleine boeren, molenaars, broodjagers of vissers, die met wilsterflappen wat bijverdienden. 's Winters lagen de visserij en het werk op het land immers stil, en werkloosheidsuitkeringen zouden pas later komen. De traditie ging over van vader op zoon. Veel wilsterflappers hielden hun vangsten trouw bij in een schoolschrift. Daaruit blijkt dat ze gemiddeld op een derde van de vangdagen helemaal niets vingen, en op andere dagen soms maar één of twee vogeltjes. Gemiddeld ving men een stuk of twaalf vogels per vangdag. Soms waren er spectaculaire vangsten van tientallen vogels in één klap. Omstreeks 1950 trok Meinte Boorsma zijn net over zo'n grote groep snelvliegende wilsters heen, dat zijn net in tweeën scheurde. Er zat een gat in waar wel een koe doorheen kon, vertelde Meinte later. Na 1960 maakten de katoenen netten plaats voor nylon netten.

In de eerste helft van de vorige eeuw werden misschien wel 100.000 goudplevieren per jaar gevangen en gedood, in de naoorlogse jaren gemiddeld nog 20.000 tot 40.000. In 1969 waren er nog 37 geregistreerde vangers. Toen het vangstseizoen werd ingekort van zeven naar twee maanden, haakten de meesten af. In 1978 werd het vangen voor de dood officieel verboden, sindsdien zijn de wilsterflappers alleen nog actief voor het vogelringonderzoek. Sinds 1982 is ook in Denemarken de jacht verboden. De toekomst van de regenvogel ziet er zonnig uit.

Goudplevieren en wilsterflappers. Joop Jukema, Theunis Piersma, Jan B. Hulscher e.a. KNNV-uitgeverij, 2001. 272 pag. ISBN 9050111475. Prijs ƒ60,05.

    • Marion de Boo