Sterven om te leven

In een serie besprekingen van heruitgegeven klassieke boeken deze week `Het Gilgamesj-epos' (vertaling en inleiding Theo de Feyter, Ambo-Klassiek, 156 blz. ƒ49.90)

,,Gilgamesch ist ungeheuer!', schreef een opgewonden Rainer Maria Rilke in 1916 aan een kennis. De schrijver had net, in datzelfde jaar, de eerste Duitse vertaling van het oud-Babylonische epos gelezen, en was diep onder de indruk van wat hij ,,das Epos der Todesfurcht' noemde; het epos van de doodsvrees.

Het was niet de eerste keer dat het gedicht iemand in een grote staat van opwinding bracht. De ontdekker van het epos, de Victoriaanse wetenschapper George Smith, die in het British Museum in Londen Assyrische kleitabletten uit Ninevé ordende, raakte zo opgetogen bij het lezen van een fragment, dat hij opsprong en zich, al rennend door de kamer, begon uit te kleden, onder de uitroep: ,,Ik ben de eerste die dit leest na tweeduizend jaar vergetelheid!' Want de Gilgamesj mag dan het oudste literaire werk ter wereld zijn, pas halverwege de negentiende eeuw werden de kleitabletten gevonden, in de ruïnes van de bibliotheek van koning Assoerbanipal, die het gedicht zouden ontsluiten voor westerse lezers.

In 1875 produceerde Smith de eerste vertaling van het werk, en sindsdien zijn er geregeld nieuwe vertalingen bijgekomen. Want in tegenstelling tot bijvoorbeeld de Griekse en Latijnse epen worden er tot op heden kleitabletten ontcijferd die nieuwe fragmenten toevoegen aan de Gilgamesj. Een nieuwe, Nederlandse editie is onlangs verschenen bij Ambo-Klassiek, vertaald en van noten voorzien door Theo de Feyter, die gebruik maakt van de meest recente toevoegingen aan het epos.

De held om wie het allemaal draait, koning Gilgamesj van het Soemerische Oeroek (Zuid-Irak), leefde vermoedelijk in de 27ste eeuw v. Chr. Het leven in de ideale stadstaat en de taken en plichten van een heerser worden uitgebreid in het werk beschreven. Het valt daarmee binnnen de traditie van de wijsheidsliteratuur, die diende om advies te geven aan heersers. Maar meer algemeen menselijke preoccupaties lopen eveneens als een rode draad door het epos heen. Het is niet verrassend dat een dichter als Rilke de angst voor de dood als belangrijkste thema van de Gilgamesj zag. Een angst die wordt afgezet tegen een aantal levensbevestigende thema's, zoals het belang van vriendschap, het verkrijgen van roem door heroïsche daden, het vergaren van wijsheid door mislukking.

De Gilgamesj zou geen echt epos zijn als een en ander niet was doorspekt met monsters en avonturen. Het verhaal begint met een jonge, onverantwoordelijke koning Gilgamesj, die zijn volk terroriseert: geen meisje is veilig voor hem, terwijl de mannen zich moeten uitputten in spelen en gevechten. De goden besluiten daarom zijn evenknie te creëren, om Gilgamesj afleiding te bezorgen. Deze Enkidoe wordt uit klei gekneed, en groeit op in de wildernis. Het is een van de aardigste elementen in het seksueel vrij expliciete epos dat Enkidoes introductie in de beschaafde wereld plaatsheeft dankzij de goede zorgen van een tempelprostituee, die hem brood, wijn en andere geneugten doet smaken, en haar kleren met hem deelt. Enkidoe en Gilgamesj worden bloedbroeders, en samen beleven ze tal van avonturen: ze verslaan de monsterlijke Choembaba bij het cederwoud in Libanon, en doden de Hemelstier. Met deze heldendaden tarten ze echter wel de goden, en als straf moet Enkidoe sterven.

Vanaf dit punt verandert het gedicht in een meditatie op de sterfelijkheid, en de mooiste poëzie is in dit deel van het epos te vinden. Gilgamesj verlaat zijn volk, trekt rouwend de wildernis in, op zoek naar iets wat zijn eigen dood op een afstand zou kunnen houden. Hij besteedt geen aandacht aan de goede adviezen die hij onderweg krijgt. `Gilgamesj, waar ga je heen?/ Het leven dat je zoekt, zul je zeker niet vinden./ Toen de goden de mensheid schiepen, gaven ze de dood aan de mensen;/ het eeuwige leven hielden ze voor zichzelf', houdt een kasteleinse hem tevergeefs voor.

Uiteindelijk belandt Gilgamesj aan het einde van de zee, bij Oetnapisjtim en diens vrouw, die de Grote Watervloed als enigen hebben overleefd, en door de goden onsterfelijk zijn gemaakt. Oetnapisjtim wijst hem op een plant die onder het water groeit, en die oude mannen weer als jong maakt. Gilgamesj duikt de plant op, en reist blij huiswaarts. Maar als hij stopt om zich te wassen in een bron, gaat een slang er haast terloops met de plant vandoor: `Een slang rook de geur van de plant. Verstolen kwam hij naderbij,/ en roofde de plant. Toen hij wegsloop, wierp hij zijn oude huid af.// Die dag bleef Gilgamesj daar en huilde; de tranen stroomden over zijn gezicht'. In een prachtige passage vol zelfverwijten geeft Gilgamesj de hoop definitief op, en reist verslagen, maar wijzer terug naar Oeroek.

Volgens de Babylonische traditie, buiten het gedicht om, wordt Gilgamesj uiteindelijk toch de onsterfelijkheid toegekend, als een van de goden van de Onderwereld. Maar de ironie wil dat hij daarvoor eerst heeft moeten sterven.

    • Corine Vloet