Oorlogsfilms

In Hollywood heerst nog onzekerheid. Welke gedragslijn zal de industrie in deze nog zo jonge oorlog moeten volgen? Dat meldt A.O.Scott, filmcriticus van de New York Times. Wil het publiek een paar uur verlost worden uit de klem van de rauwe werkelijkheid? Terug naar een onschuldig vermaak? Wil het worden gerustgesteld met de verzekering dat de eindoverwinning `ons niet kan ontgaan'? Wil het geconfronteerd worden met zijn eigen hoop en vrees? Wil het de onopgesmukte waarheid en zelfkritiek? Om op deze vragen het begin van een antwoord te vinden, heeft Scott zich verdiept in het bioscooprepertoire uit de Tweede Wereldoorlog. Zijn conclusie is: het publiek wil het allemaal.

Dan noemt hij een reeks films die bij deze uiteenlopende genres kunnen worden ingedeeld en die stuk voor stuk klassiek zijn geworden. Ik noem alleen Casablanca, met Claude Rains, Ingrid Bergman, Peter Lorre en Humphrey Bogart, die de nachtclubeigenaar Rick speelt. Alles zit erin: Duitse bezetting, verraad, vaderlandsliefde, romantiek, en een prachtig liedje: As time goes by, gezongen door Dooley Wilson, de barpianist. You must remember this... en de lezers die ouder zijn dan een jaar of zestig weten dan nog precies hoe het verder gaat. En wat zegt Humphrey tegen Ingrid? En wat zegt Ingrid tegen de pianist? Er zijn twee scholen: de ene beweert dat ze zegt: Play it, Sam, en de andere is van mening dat het Play it again is. Daaruit kunnen we afleiden dat grote oorlogen ook voortleven in herinneringen aan films en liedjes. Daar heb ik al een stukje over geschreven.

De oorlog in Vietnam heeft tientallen films veroorzaakt, vooral nadat hij afgelopen was. Door de manier waarop, hebben de meeste een kritische strekking, wat impliceert dat de makers ook hun best hebben gedaan te laten zien `hoe het werkelijk was'; d.w.z. tragisch, wreed en soms beestachtig. In een New Yorkse bioscoop ging ik kijken naar Oliver Stone's Platoon. In die film zitten veel gruwelijke gevechtsscènes. In één daarvan worden Vietnamese boeren die ervan worden verdacht tot de Vietcong te horen, ongenadig afgeranseld. In de zaal ging een applaus op – aarzelend moet ik zeggen. Maar toch, er werd geklapt. Daaruit blijkt dan hoe de filmmaker zich kan vergissen in de manier waarop zijn boodschap wordt uitgelegd. Schrijvers, dichters, schilders, filosofen kan dat ook overkomen.

De oorlog in Joegoslavië heeft in Europa wel jaren televisie veroorzaakt maar weinig cineasten in beweging kunnen krijgen. De Franse filosoof Bernard-Henri Levy heeft in 1994 de film Bosna! gemaakt, een documentaire aanklacht tegen de lammenadigheid van het westen. Levy trof het niet. Het `engagement' was uit de mode geraakt. Men maakte zich hier gereed om aan tafel te gaan voor de beste jaren van de roaring nineties. Wie zich nog voor zulke internationale schandalen als in Joegoslavië interesseerde, werd ervan beschuldigd een intellectueel van de vorige mode te zijn. En de maker had het ongeluk dat hij vaak een wit pak droeg. Dat kon dus bij voorbaat niet veel bijzonders zijn. In hetzelfde jaar zag ik een Nederlandse videofilm over Joegoslavië, gemaakt door Jasper Bontje. Een onthutsend meesterwerkje, gemaakt met de bescheidenste middelen. De essentie van de burgeroorlog wordt weergegeven met een zeer nauwkeurig gefilmd hondengevecht. Toen, van maart tot juni 1999, kwamen de bombardementen van de NAVO, en daarmee was het probleem militair voorlopig opgelost, en artistiek afgesloten.

In mei 1999 mocht een televisieploeg – camera, geluid en interviewer – mee in een bommenwerper om een actie vast te leggen. Het toestel vloog op een hoogte van acht kilometer. De bommemrichter beschikte over de scherpste verkenningsfoto's en de meest geavanceerde radar, verrekijkers en wat er verder bij het bommenwerpen te pas komt. Hij liet de bommen los en na de vastgestelde tijd kon je aan de lichtvlekken op aarde zien dat de ontsteking gewerkt had. `Denk je weleens aan de mensen daar?' vroeg de interviewer. `Nee', zei de bommenrichter. `Eigenlijk nooit. Daar wil ik ook niet bij stilstaan, dat is mijn werk niet. Ik doe mijn plicht. Mijn taak is het zo nauwkeurig mogelijk te gooien.' Terwijl hij dat zei, zoomde de camera in op zijn gezicht. Dat van een brave jongen van een jaar of 25, schat ik. Een onschuldig melkmuiltje.

De Amerikaanse essayist Dwight MacDonald heeft een essay geschreven, Notes on the Psychology of Killing, waarin hij zich verdiept in de verhouding tussen degene die doodt en zijn slachtoffer. Dat is dan in 1944; het gaat over de luchtbombardementen in de Tweede Wereldoorlog. Het geweten wordt rustiger naarmate de afstand groeit. Nu, in deze allermodernste oorlog die gevoerd wordt met clusterbommen en miltvuur, is de formule van MacDonald alleractueelst. En ik wil niet moralistisch klinken, maar dat lijkt me een onderwerp waar een cineast iets van zou kunnen maken.