`Nederland is gebaat bij sterke partners in hockeysport'

In april trad Els van Breda Vriesman aan als voorzitter van de internationale hockeyfederatie FIH. In Rotterdam, gastheer van de Champions Trophy, maakt de juriste de tussenbalans op. ,,Hoge eisen zijn een voorwaarde voor groei.''

Een streep door de Champions Trophy na de tragische gebeurtenissen in de Verenigde Staten en daaropvolgende oorlog in Afghanistan? Gedecideerd schudt Els van Breda Vriesman (60) het hoofd. ,,Is geen moment aan de orde geweest. Omdat sport verbroedert en de onderlinge tolerantie versterkt.''

En dus maakt de juriste uit Vught dezer dagen in Rotterdam, plaatsvervanger van het Pakistaanse Lahore, opnieuw haar opwachting in eigen land als voorzitter van de internationale hockeyfederatie FIH, amper drie maanden na het vrouwentoernooi in Amstelveen. Het deert Van Breda Vriesman, sinds juli ook lid van het Internationaal Olympisch Comité (IOC), allerminst. ,,Onder de huidige omstandigheden is de plaats van handeling van ondergeschikt belang. Waar het om gaat, is dat iedereen weer van de partij is. Het solidariteitsgevoel leeft heel sterk.''

Aan haar uitverkiezing ging een verbeten campagne vooraf, waarbij haar concurrent, de Fransman Alain Danet, alles in het werk stelde om stemmen te vergaren. Maar de `innerlijke boodschap' van Van Breda Vriesman, sinds 1994 al secretaris-generaal van de FIH, won. Daarmee kwam voor de tweede keer een Nederlander aan het hoofd van de FIH, nadat wijlen jonkheer Jaap Quarles van Ufford die functie van 1946 tot 1966 bekleedde.

Geen persoonlijke triomf, maar in het belang van het hockey, noemde u uw uitverkiezing in april. Waarom?

Van Breda Vriesman: ,,Met een voorzitter uit een groot hockeyland ligt de lat hoger. Een vertegenwoordiger uit een klein land is al snel tevreden met profilering op het niveau dat hij gewend is. Terwijl hogere eisen een voorwaarde zijn voor de verdere groei en popularisering. Bij de minder grote landen was eerst sprake van een zekere angst voor een té grote invloed van Nederland. De laatste tijd heb ik dan ook regelmatig uitgelegd dat wij niet uit zijn op macht, maar handelen in het belang van de sport. Nederland is zelf ook gebaat bij sterke partners.''

Maar toch: Nederland als lichtend voorbeeld?

,,Ik heb altijd gezegd dat hockey in Nederland een manier van leven is, en dat die beleving een uitdagend voorbeeld en tegelijkertijd een mooi uitgangspunt is voor andere landen. Gelukkig dringt dat besef steeds meer door.''

Marketing staat centraal in uw beleid. Waarom?

,,Net als veel andere bonden is de FIH voor wat de inkomsten betreft voor de helft afhankelijk van het IOC. Ik zou graag zien dat wij eenzelfde bedrag binnenhalen met marketingprogramma's, zodat we geld tot onze beschikking hebben om te investeren in ontwikkeling. We moeten onze positie versterken, ook op tv, want we hebben te weinig financiële slagkracht. Kortom: geld genereren via onze evenementen. Dat betekent onder meer dat we selectief moeten zijn in de toewijziging. Zweden bijvoorbeeld is niet geschikt als gastheer van een groot toernooi.''

Hoe succesvol is het beleid waarbij jaarlijks twee kunstgrasvelden worden neergelegd in `ontwikkelingslanden' als Ghana en Oekraïne?

,,Van de kosten (circa 800.000 gulden, red.) wordt de ene helft betaald door het IOC, de andere helft komt voor rekening van het land zelf. Ik vind de eigen bijdrage te groot. Tegelijkertijd moet je constateren dat een land als Oekraïne, hoe bescheiden het hockey daar ook is, baat heeft bij die vorm van ontwikkelingshulp. Het vrouwenteam heeft zich onlangs niet voor niets vrij eenvoudig gekwalificeerd voor het WK.''

Hoe denkt de FIH de tanende belangstelling in de bakermat van het hockey, India en Pakistan, een halt toe te roepen?

,,Op dat punt hebben we al een succesje behaald. Tot voor kort was het zo dat een oud-international, iemand zonder enige opleiding, het in die landen voor het zeggen had. Als de ene niet meer voldeed, kwam de ander. Dat was niet de manier om de sport van een gedegen fundament te voorzien. Nu realiseren landen als India en Pakistan zich dat opleiding van coaches en scheidsrechters essentieel is, van hoog tot laag. Er wordt gewerkt aan de structuur. Niet voor niets heeft de bondscoach van India de afgelopen week voor het eerst meegedaan aan de FIH-coachingcursus.''

Paul Lissek, oud-bondscoach van Duitsland, noemde hockey in zijn land dinsdag in deze krant `een dode sport'. Deelt u zijn mening?

,,Ja en nee. Hockey in Duitsland heeft een elitair imago. Het is geen volkssport zoals hier. Maar daar heeft de Duitse bond ook nooit zijn beleid op afgestemd. Dat kan de sport dus niet worden aangerekend. Als iemand al verantwoordelijk is, dan is het de bond. Maar ook daar beseft men dat nu andere wegen bewandeld moeten worden.''

U werd nogal boos toen een journalist het hockey onlangs afschilderde als `een Mickey Mouse-sport'.

,,Ik begrijp zo iemand niet. Waar is zo'n typering op gebaseerd? Dat wij geen spelers hebben die miljoenen verdienen? Bij de Spelen in Sydney was hockey na atletiek de best bezochte sport. Dat is geen toeval. Bij de FIH zijn 115 landen aangesloten. Wereldwijd schatten we het aantal beoefenaars op twee à drie miljoen. Met de kanttekening dat de ledenregistratie in landen als India en Pakistan vermoedelijk te wensen overlaat. Maar dan nog: ik ben niet zo geïnteresseerd in cijfers. Het gaat mij meer om structuur en beleving.''

Waarom experimenteert de FIH zoveel met de spelregels?

,,Omdat sommige regels, en zeker de uitleg daarvan, voor verbetering vatbaar zijn. Neem de strafcorner: je mag niet hoog slaan, maar wel hoog pushen. Dat begrijpt bijna niemand. Zeker niet nu pushen niet meer onderdoet voor slaan. Overigens doen we dat zorgvuldig, we gaan niet over één nacht ijs. Zelf vind ik dat hockey op dit moment geen behoefte heeft aan ingrijpende veranderingen. Aan het wezen van de sport, wat in de eerste plaats een technische sport is, mag ook niet gesleuteld worden. Maar in de interpretatie van de regels is nog veel te vinden waardoor hockey begrijpelijker wordt, en aantrekkelijker. Het uitgangspunt daarbij moet zijn: wel of geen gevaar?''

    • Mark Hoogstad