Mijn vader

Mijn vader, geboren in 1903, was net door mijn moeder in zijn brandweerpak gehesen om naar de brand te gaan. De bel in de gang die het hele dorp wakker had gemaakt, was eindelijk stil. Het eerste wat hij deed was langs Rokus gaan. Die had geen vrouw die hem uit bed haalde, en hij sliep nogal vast. Hij bonkte op de achterdeur en riep `Rokus....brand'.

Eindelijk kwamen ze op de fiets bij de kazerne aan waar acht spuitgasten zaten te wachten. `Ook goeienacht' zeiden ze. `Waar Rokus...is vuur.' Die deed net of hij het niet hoorde. Want dat zeiden ze altijd. Een man zat al achter het stuur van de brandweerauto. `Het is in een houten loods, op een scheepswerf', werd er gezegd. Ze keken allemaal naar mijn vader. Mijn vader keek gewichtig op zijn horloge. `Actie mannen', zei hij, `we gaan.'

Onderweg in de auto werd er door mijn vader verteld wie wat moest doen. Toen ze bij de brand aankwamen rolden ze de slangen uit en in een mum van tijd spoot het water eruit. De tientallen mensen en kinderen die stonden te kijken waren gezellig aan het roddelen. De een deelde pepermunten en de ander dropjes uit. De opzichter stond met mijn vader te praten. `We zijn bijna de brand meester', zei hij tegen m'n vader. Maar mijn vader, die vond dat hij de leiding had, vertelde hem dat het nog wel een kwartiertje kon duren vanwege het nablussen. Langs zijn neus weg zei hij dat de loods veel beter van stenen gebouwd kon worden, en dat hij de volgende dag er over zou komen praten. Tenslotte was hij de enige aannemer in het dorp. Hij stak tevreden een verse sigaar op, en zei 's morgens tegen mijn moeder dat hij voor maanden werk had dankzij het brandje van die nacht. *

    • Maria Heiden