Mama was vals en slecht

Het is geen pretje om een schrijver te zijn, maar het leven met een schrijver moet helemaal rampzalig zijn: want ze zijn iedere dag dronken, jaren depressief, principieel ontrouw, ze vergeten de kinderen en neigen tot gevaarlijk rijgedrag. Aangaande hun jeugdherinneringen onderscheiden schrijvers zich vooral door een groot vermogen om rancune jegens hun moeders te conserveren. Van `mijn moeder was niet zo knuffelig' gaat het via `Nu kan ik eindelijk aan haar denken zonder dat ze het verpest' en `Ze is boosaardig, vals tot in het merg' tot `Mijn moeder, om het maar weer eens over het arme mens te hebben, was een slechte vrouw'.

Voordat alle schrijversmoeders van Nederland wit wegtrekken, er staan in Geletterde mannen, de net verschenen bundel schrijversinterviews van Elisabeth Lockhorn, ook lieve dingen over moeders, bijvoorbeeld over die van Paul Scheffer en Hafid Bouazza. Schrijver betekent bij Lockhorn niet per se romanschrijver. Jan Wolkers, Gerrit Krol, Hafid Bouazza, Marcel Möring en Alfred Kossmann danken hun faam aan verhalende fictie, sommige anderen (Gerrit Kouwenaar, Gerrit Komrij en Jean-Pierre Rawie) aan poëzie en de overigen zijn in de eerste plaats essayisten.

Lockhorn publiceerde eerder de bundel Geletterde vrouwen. De meeste interviews verschenen eerder in Vrij Nederland. Lockhorn neemt de tijd voor de gesprekken; ze spreekt de schrijvers langdurig, komt eens terug en belt nog eens op. Dat resulteert in lange, persoonlijke interviews waarin de schrijvers vaak het achterste van hun tong laten zien. Het is het soort interview waar de meeste Nederlandse journalisten te gehaast voor zijn geworden, wat op zich al voldoende rechtvaardiging voor de herdruk in boekvorm is (voorzover de nooit in VN afgedrukte uitspraak `Ik zal niet zeggen dat ik nu een mooie zwaan ben, maar in ieder geval wel een grote', van Michaël Zeeman dat niet al is).

Toch, wie Geletterde mannen in zijn geheel leest, krijgt er juist door de persoonlijke aanpak van Lockhorn alras genoeg van. Iedere schrijver mag op geheel eigen wijze ongelukkig zijn, uiteindelijk gaan al die eenzame mannen toch te veel op elkaar lijken: problemen met moeders en vaders, moeite met monogamie en vervolgens met de partner, nuttige therapie en, o jee, wat doen we met de kinderen?

Mooier dan met elkaar zijn de gesprekken in combinatie met het werk van de auteurs. Bijvoorbeeld in `Ik denk niet dat ik in mijn leven ooit een intiem gesprek heb gevoerd. Nooit, met niemand', het interview met wijlen Alfred Kossmann dat een even voorzichtige verkenning is naar hemzelf, als zijn boeken dat zijn naar de rest van de wereld. Of het gesprek met Hafid Bouazza waarin de auteur eindigt in een lyrische monoloog waarin de inzet van zijn schrijverschap staat: `Ik zou graag een evenwicht willen vinden tussen het vluchtige en het blijvende. Maar dat is niet mogelijk. Waarschijnlijk ben ik iemand die nooit tot grote wijsheden of waarheden zal komen (...) Ik wil een leven leiden van grote doorvoeldheid, waarin alles wat gebeurt van belang is. (...) Ik zou het leven willen dragen als een kroon. Maar of dat gaat lukken weet ik niet.'

Elisabeth Lokhorn: Geletterde mannen. Interviews. De Bezige Bij, 266 blz. ƒ37,46