Kiezers moeten meer invloed krijgen op nieuwe coalitie

Verkiezingen moeten meer zijn dan een verplicht ritueel of een hinderlijk incident. Het idee om de belangrijkste politieke gezagsdragers direct te laten kiezen, verdient daarom heroverweging, vindt S.W. Couwenberg.

Verkiezingen zijn langzamerhand gereduceerd tot een verplicht ritueel om de schijn van een democratisch gelegitimeerd bestel op te houden. Voor het te voeren beleid zijn ze echter van weinig of geen belang. Het is eerder op de opiniepagina opgemerkt, en op Europees niveau is dat al van stonde af aan gevestigde praktijk geweest. Is het niet verwonderlijk dat men van deze constatering kennisneemt zonder zich serieus af te vragen wat dat betekent voor het kiesrecht als democratisch grondrecht?

Alsof er niets aan de hand is bereidt men zich nu opnieuw op verkiezingen voor alsof er niets aan de hand is met verkiezingsprogramma's die zich in het algemeen weinig onderscheiden. En voorzover er verschillen zijn, staan die na de verkiezingen in onderhandelingen toch weer ter discussie als men regeringsambities heeft. De nieuwe verkiezingsprogramma's weerspiegelen vooral een hoge mate van continuïteit in het beleid zoals het hoofdartikel op 31 oktober in deze krant vaststelt.

Het dalende opkomstcijfer is een teken van tevredenheid, beweren politici uit zelfbehoud. Is dat niet veel waarschijnlijker het gevolg van groeiend besef dat verkiezingen er nauwelijks meer toe doen wat het beleid betreft? Als de wassende stroom van niet-stemmers gemakshalve wordt afgeschreven betekent dat in feite dat het eens zo felbevochten algemeen kiesrecht zijn politieke betekenis verliest.

Dit is temeer het geval, nu het in dit land beperkt is gebleven tot één publiek lichaam, te weten de volksvertegenwoordiging, waarvan de politieke invloed steeds verder afkalft. De erosie van het algemeen kiesrecht is overigens een probleem dat ook in andere westerse democratieën zorgen baart. Hoe dit recht in stand te houden als politiek relevant democratisch grondrecht? Dit is een vraag die zich bij iedere verkiezing steeds meer opdringt.

Een simplistische oplossing is de invoering van opkomst- of stemplicht, zoals SP-leider J. Marijnissen bepleit. Dit is symptoombestrijding. Bovendien speelt het extremistische krachten in de kaart, zoals de Belgische praktijk leert. Men kan ook een reclamebureau inschakelen zoals nu gebeurt om de verkiezingen te promoten en op te leuken met allerlei franje. Maar dat is een noodgreep die opnieuw illustreert dat de Nederlandse politiek er zelf niet meer in slaagt het electoraat op politieke gronden te motiveren tot deelname aan verkiezingen.

Wat ontbreekt is een duidelijke, politiek-inhoudelijke inzet. Het gaat alleen nog om verwerving of behoud van machtsposities. Met het verval der ideologieën is macht van middel tot doel in zichzelf geworden. In ons politieke bestel kunnen we alleen stemmen op een partij die daarmee vervolgens heel verschillende dingen kan doen. Dat bestel is daarom heel kiezersonvriendelijk.

Geef kiezers niet alleen invloed op de samenstelling van vertegenwoordigende lichamen, maar ook op de te vormen coalitie zodat die zodoende steun vindt in een direct electoraal mandaat. Zo is sinds de jaren zestig als alternatief voorgesteld. Dit kan op tweeërlei manier: doordat partijen met regeringsambities vóór de verkiezingen kenbaar maken met wie ze een regeringscoalitie willen vormen; en door de belangrijkste gezagsdragers, op nationaal niveau de minister-president of kabinetsformateur, direct te laten kiezen.

Het eerste kan al binnen het huidige bestel. Door vóór de verkiezingen kleur te bekennen als het gaat om de coalitievorming, zoals begin jaren zeventig de toenmalige progressieve concentratie deed, biedt men de kiezers een duidelijke politieke keuze. Maar voor die duidelijkheid schrikt men opnieuw terug. Alle opties staan open.

De tweede mogelijkheid vergt een staatsrechtelijke ingreep. Door de kiezers formeel ook te laten stemmen op de regeringsleider van hun voorkeur, krijgen zij een nieuwe en belangrijker mogelijkheid tot politieke participatie. Het is een ontwikkeling die aansluit op de toenemende personificatie van politieke macht en politiek weinig geïnteresseerde burgers meer betrokken kan maken bij de politiek dan de vage en onduidelijke wijze waarop zij nu op hun politieke verantwoordelijkheid worden aangesproken.

De recente leiderschapscrisis in het CDA illustreert opnieuw het snel groeiende belang van politiek leiderschap als persoonlijke belichaming van het politieke profiel van partijen die op een kiezersmarkt met steeds meer zwevende kiezers niet langer blind kunnen varen op het abstracte appèl van partijbeginsel en partijprogramma.

Die personificatie van politieke macht wordt wel geweten aan de sterk groeiende invloed van de massamedia en de politieke beeldcultuur. Dat speelt daar zeker ook een rol bij, maar is niet de oorzaak. Die is gelegen in de behoefte van het grote publiek aan een persoonlijke belichaming van het beleid in een steeds sterker internationaal vervlochten samenleving die wordt gekenmerkt door toenemende complexiteit en anonimiteit.

Ook de steeds prominenter wordende positie van de Europese Raad van regeringsleiders in de Europese Unie werkt die tendens in de hand. Alleen een gekozen regeringsleider wordt nog dankzij een direct electoraal mandaat in staat geacht de complexe bureaucratisch-corporatieve machtsstructuur te onderwerpen aan het primaat van de politiek.

Op Europees niveau wordt een direct gekozen voorzitter van de Europese Commissie – ook van Nederlandse zijde – bepleit als redding van de tot nu toe nauwelijks ontloken Europese democratie. En in deze krant is in dit verband eerder al een lans gebroken voor een direct gekozen Europese president.

In het licht hiervan is er alleszins reden het idee van een direct gekozen minister-president of kabinetsformateur opnieuw aan de orde te stellen zoals D66 en Leefbaar Nederland inmiddels gedaan hebben in samenhang met het ook al eerder bepleite idee van een kernkabinet.

Dat past niet in onze politieke cultuur, wordt hiertegen opgeworpen. Maar die cultuur is niet iets statisch, maar evenals onze nationale identiteit een fenomeen in voortdurende ontwikkeling. Dat idee past in die cultuur bovendien wel degelijk in een belangrijk opzicht.

Het traditionele dualisme van regering en parlement dat sterk in verval is geraakt door het samengaan van regering en regeringspartijen op basis van een bindend gedetailleerd regeerakkoord wordt daardoor nieuw leven ingeblazen en zelfs aanzienlijk versterkt. En dat leidt tevens tot revitalisering van het parlement als tegenspeler van de regering.

Er wordt wel beweerd dat we in feite al in staat zijn de minister-president te kiezen, omdat de lijsttrekker van de grootste partij als zodanig te beschouwen valt. Maar die opvatting past niet in ons huidige politieke bestel. Het tweede kabinet-Den Uyl is er zoals bekend niet gekomen, hoewel de PvdA in 1976 als grootste partij uit de bus kwam.

S.W. Couwenberg is directeur-hoofdredacteur van Civis Mundi en oud-hoogleraar staats- en bestuursrecht.