In de kast blijven maar

Sinds de Rotterdamse imam El-Moumni dit voorjaar homoseksualiteit een ziekte heeft genoemd, geldt de afwijzing van mannenliefde voor sommigen als het zoveelste voorbeeld van de achterlijkheid van de islam. Geestelijken die zich door hun ondervragers op televisie laten verleiden tot begrip voor de doodstraf die homo's moeten krijgen, mits op heterdaad betrapt, wordt in de media de maat genomen, om duidelijk te maken hoeveel eeuwen Verlichting hun godsdienst wel niet heeft gemist.

Voor wie het niet bij verontwaardiging wil laten, is Islam en homoseksualiteit een nuttig boekje, geschreven door Omar Nahas, die met hulp van de stichting Yoesuf (een centrum voor islam en homoseksualiteit) de orthodoxie over homoseksualiteit binnen de islam onderzocht en gelovige homoseksuele moslims voorzichtig soelaas probeert te bieden. Het verslag van zijn zoektocht is een interessant, leerzaam, maar ook pijnlijk boekje.

De islam is niet louter een individuele godsdienst (de mens onderhoudt allereerst een persoonlijke relatie tot God) maar ook een bij uitstek sociale, met tal van regels en voorschriften die gericht zijn op het coördineren van maatschappelijk verkeer en het totstandbrengen van een gemeenschap van gelovigen. Over seksuele zaken bestond in islamitische geschriften een aanmerkelijk grotere nuchterheid dan in het christendom, dat vleselijke lusten afwijst als zondig. Seks wordt op zichzelf gezien als natuurlijk en gezond, met één cruciale clausule: het moet worden gepraktiseerd binnen het huwelijk. Centraal staat daarbij het partnerschap tussen man en vrouw, tot heil van de gemeenschap. Polygamie is onder bepaalde voorwaarden toegestaan, maar overspel en vrije seks worden ten strengste afgewezen. Homoseksualiteit is binnen deze constellatie zelfs een gruwel, omdat seksuele liefde tussen mannen de sociale cohesie en het voortbestaan van de gemeenschap in gevaar zou brengen.

Die veroordeling van homoseksualiteit wordt door imams religieus verdedigd met een beroep op het verhaal van Loet uit de Koran, een versie van de bijbelse vertelling van Sodom en Gomorra, de steden die wegens hun bandeloosheid door Jahweh werden vernietigd. Nahas legt in dit boekje de Koran-teksten revisionistisch uit, in die zin dat volgens zijn lezing Gods toorn eerder werd opgewekt door verkrachting en machtsmisbruik dan door vrijwillige seks tussen volwassen mannen. Hij haalt ook een latere scholastieke discussie aan over de vraag of homoseksualiteit in het hiernamaals (waar het zorgen voor nageslacht geen probleem meer is) wèl is toegestaan. Het neemt niet weg dat deze interpretaties, gezien de verkettering van homo's in de orthodoxie, gekunsteld aandoen. Zoals Nahas' suggestie dat homoseksualiteit best door God aan de mens gegeven kàn zijn, omdat God immers almachtig is en dus ook zaken kan creëren die de mens niet kan bevatten.

Ondanks zijn alternatieve tekstlezing heeft Nahas maar weinig hoop op een homovriendelijke herinterpretatie van de islam: `Het nadrukkelijke verbod van gelijkgeslachtelijke seksualiteit in de koran alsmede de islamitische interpretatieregels van dezelfde koran laten herinterpretatie niet toe', meent hij. Een van de strategieën die hij gelovige homoseksuelen ziet volgen, is leven met het conflict tussen geloof en geaardheid, en er in stilte maar het beste van maken. In de kast blijven, dus, zoals in het Nederland van de jaren vijftig.

Omar Nahas: Islam en homoseksualiteit. Bulaaq, 144 blz. ƒ27,55

    • Sjoerd de Jong