Het badwater van Jezus

Armeniërs zijn onder de voet gelopen, verdreven en vermoord, maar hun middeleeuwse boeken zijn bewaard gebleven. De schitterende miniaturen zijn nu te zien in Utrecht.

Onlangs hoorde ik een joodse aan een katholieke vrouw vragen: ,,Waaraan denk je het eerste bij `joden'?'' Het antwoord verraste haar. Ze stelde de vraag wel vaker, zei ze, en meestal kreeg ze te horen: aan vervolging, dood, verdriet, shoah. Maar de katholieke vrouw zei: ,,Aan het plezier ervan. De intellectuele activiteit, de discussies.'' De joodse lachte bij dat antwoord. ,,Het is waar'', zei ze, ,,het is ook leuk om joods te zijn.''

Zou je iemand vragen: ,,Waaraan denk je als eerste bij `Armeniërs'?'' dan is het waarschijnlijk dat je het antwoord krijgt dat de joodse vrouw verwachtte. Aan dood, verdrijving, genocide. Aan het Armeense probleem. De Turkse gruweldaden tijdens de Eerste Wereldoorlog, toen de Armeniërs uit hun al sinds de achtste eeuw voor het begin van onze jaartelling bewoonde gebieden in Anatolië verdreven werden, en een nooit vastgesteld aantal mensen (schattingen lopen uiteen van een half miljoen tot anderhalf miljoen) werd vermoord, hebben alles wat men verder over de Armeniërs zou kunnen weten overvleugeld.

Het is daarom – maar niet alleen daarom – een goed idee dat drie verschillende musea tentoonstellingen hebben ingericht die met Armenië te maken hebben. Het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden toont grafvondsten uit de bronstijd, Stedelijk Museum de Lakenhal, ook in Leiden, laat werk van hedendaagse Armeense kunstenaars zien en het Utrechtse Catharijneconvent is erin geslaagd een unieke hoeveelheid middeleeuwse boeken, verluchtigd met miniaturen, hiernaartoe te krijgen. Schitterende miniaturen.

Al in 301 werd het christendom de officiële Armeense godsdienst, zodat dit jaar gevierd kan worden dat men 1700 jaar christelijk is. De Armeniërs beweren dat ze rechtstreeks door de apostelen Bartholomeus en Thaddeus bekeerd zijn, zonder tussenkomst van wie dan ook. Vandaar dat hun kerk de Armeense Apostolische Kerk heet en, misschien ook vandaar, dat ze allerlei opvattingen die in andere kerken gemeengoed zijn niet accepteren. Het belangrijkste verschil is hun opvatting over de goddelijke dan wel menselijke natuur van Christus, een kwestie waarover al in de vierde eeuw gediscussieerd werd.

Zuurdesem

Veel kerken hebben het standpunt ingenomen dat Christus zowel goddelijk als menselijk was, dus twee `naturen' had. Dat wordt gesymboliseerd in het brood en de wijn van de eucharistie: brood met zuurdesem, wijn met water. De Armeniërs zien het anders, voor hen is de natuur van Christus één geheel en dat geheel is dan vooral goddelijk vandaar dat ze ongezuurd brood en onvermengde wijn bij de eucharistieviering gebruiken. Door de eeuwen heen zijn de Armeniërs er steeds in geslaagd om bij die opvatting te blijven, hoeveel (politieke) druk er soms ook werd uitgeoefend om wat water bij de wijn te doen en aansluiting te vinden bij de kerk van Rome.

Op de miniaturen vind je de diepe overtuiging dat dit de juiste opvatting is en dat degenen die er anders over denken ketters zijn soms terug. De rondtrekkende schilder Awag, die expressieve, kleurrijke miniaturen maakte, was een fel tegenstander van vereniging met Rome. Op een van zijn miniaturen beeldt hij het Laatste Oordeel af en laat daarbij een katholieke priester in de hel duikelen. Ook zet hij bij twee verdoemden de namen van de beroemde Latijnse priesters Nestor en Arios, die andere standpunten dan hij huldigden. Gelukkig waren sommige Armeense kerkhoofden (aan het hoofd van de Armeense kerk staat de `katholikos') zo wijs om in moeilijke tijden wel enige toenadering te zoeken, anders waren die kloosters, waar onder meer Awag zijn schilderingen maakte, wellicht nooit tot enige bloei gekomen.

Het huidige Armenië, de in 1991 zelfstandig geworden voormalige Sovjet-republiek, schijnt bezaaid te zijn met kerken, maar het oude Armenië, een wel tienmaal zo groot gebied, moet dat ook geweest zijn. Door hun woelige geschiedenis trokken de Armeniërs nogal eens van oost naar west en terug, waardoor ze over een groot grondgebied verspreid allerlei religieuze en studieuze centra hebben opgericht. Van Cilicië aan de Middellandse Zee – in het huidige Turkije – tot aan de Zwarte en de Kaspische Zee stonden kloosterscholen en scriptoria, die vooral van de 13de tot begin 15de eeuw veel geleerden en studenten trokken. Er moeten ongelooflijk veel handschriften vervaardigd en gekopieerd zijn in die tijd, te meer omdat de bijbel voor de Armeniërs functioneerde zoals iconen voor de Byzantijnse kerken: als heilige voorwerpen. Trok men ten strijde dan was het heel gewoon om het evangelie mee te nemen bij wijze van talisman. Om te voorkomen dat ze in vijandelijke handen zouden vallen werden de boeken tijdig begraven bij dreigende nederlaag.

Anders dan westerse kopiisten, die meestal anoniem bleven, hadden de Armeniërs de gewoonte om een colofon te maken waarin ze hun eigen naam vermeldden, die van hun opdrachtgever en die van de verluchter als dat een ander was dan de schrijver. Die allen bevalen ze ter gedenking in de gebeden van de lezers aan. Ook noteerden ze in de colofons bijzonderheden over de staat van het manuscript dat ze overschreven, de reden waarom ze dat deden en, het opmerkelijkste en interessantste, persoonlijke notities over de omstandigheden waaronder er geschreven werd (,,De vlooien maakten het mij erg lastig want er waren er veel in de cel. Omdat er verder niemand inzat hebben ze allemaal bijna mij opgegeten'') of over de toestand in het land (,,En toen kwam Hassan Beg en hij vernietigde en verbrandde onze velden'') en over de wijze waarop met dit boek omgegaan moest worden (,,Bij de liefde van God, houd dit weg van kaarsen en olie en pak het alleen beet met een witte doek. Alstublieft.'')

Wie de boeken ziet, kan dergelijke aanbevelingen niet overdreven vinden. Boekbanden van zilver ingelegd met edelstenen zijn mooi, en die zijn er ook, maar niets is zo mooi als de versierde bladzijden van de manuscripten, met hun vrolijke en beweeglijke miniaturen, die tot de levendigste en grappigste horen die ik ooit heb gezien. Groot gelijk heeft de kopiist die smeekt ,,dat ze nooit hun vingers likken en de bladen beduimelen en wie hier een blad uitsnijdt, moge God hem uit het leven wegsnijden.''

Maar de verleiding om desondanks met een scherp mes zo'n bladzijde te verwijderen en voor eigen genot mee te nemen is groot en moet altijd groot geweest zijn. Het zal ook veel gebeurd zijn, de Armeniërs zijn zo dikwijls onder de voet gelopen en geplunderd of verdreven dat het een wonder is dat er überhaupt nog zoveel complete boeken zijn — in de Armeense hoofdstad Jerevan bevinden zich in het Mesrop Mashtots' Matenadaran Instituut meer dan 15.000 manuscripten en ook op andere plaatsen bestaan omvangrijke en belangrijke collecties.

Liefdesgedichten

De afgebeelde taferelen zijn bijna allemaal bijbelse voorstellingen. Er moeten ook wel andere geweest zijn, maar daar is, logischerwijs, nog minder van over. Men neemt eerder de bijbel mee op de vlucht dan een boek met liefdesgedichten als men een vrome Armeniër is. En dat waren velen, vooral omdat in het dikwijls bezette land en onder de verspreid wonende bevolking de kerk, waar de liturgie al vanouds in de volkstaal gevierd werd, de belangrijkste samenbindende factor was. De kwaliteit van de miniaturen is heel wisselend, sommige zijn heel precies en rijk, andere zijn grappig onhandig en direct, maar zelden zijn ze heel realistisch en nooit zijn ze stijf of saai.

Het lijkt wel of alle middeleeuwse Armeniërs heel lange handen hadden, op veel miniaturen staan ze daarmee naar het belangrijkste onderwerp op het plaatje te wijzen. Dat belangrijkste is vaak Christus, hetzij als ingebakerd kindje, hetzij op een ezeltje Jeruzalem binnenrijdend of hangende aan het kruis.

Een van de bekendste en hoogstaangeslagen verluchters is T'oros Roslin, werkzaam in Cilicië in de dertiende eeuw. Hij was duidelijk een professional die wist hoe je een stof moest plooien en een elegante hand kon tekenen, maar hij moet zich ook ingeleefd hebben in de dingen die hij tekende en schilderde. Zijn miniaturen maken nooit een plichtmatige indruk, sowieso trouwens een zeldzaam verschijnsel op deze tentoonstelling. Bij de kruisiging laat hij de toeschouwers met ontzetting toekijken, niet als poppen die in het decor zijn neergezet zoals zo vaak bij kruisigingsscènes het geval is. Op een afbeelding van het Laatste Oordeel permitteren zich enkele engelen om buiten de lijst van de miniatuur te treden om daar respectievelijk het firmament op te rollen, de hoorn te blazen en de zielenweegschaal te tonen. Ook zie je onder aan de miniatuur drie boten of badkuipen met, waarschijnlijk, reeds beoordeelde zielen. Het meeste licht valt op de middelste, waarin de figuurtjes, anders dan in de zijbootjes, naakt zijn. Kijk je beter, dan lijken het vrouwen, die allemaal hun armen op de bekende wijze kuis voor hun borsten kruisen, maar wat niet bekend is, is de uitdrukking op hun gezichten: ze lonklachen verlegen naar de mannen in de andere kuip. Wat doen jonge vrouwen anders als ze naakt zijn en gezien worden? Wereldwijze T'oros Roslin.

Ter helle

De Armeense schilders waren natuurlijk niet vrij van buitenlandse invloeden. Heel dikwijls zijn Byzantijnse invloeden te zien in de manier waarop bergen worden geschilderd, de opbouw van een scène die regelrecht van de iconenschilders lijkt overgenomen, de manier waarop iets afgebeeld wordt. Zo zie je, als Christus ter helle afdaalt, altijd zo'n beetje onder zijn voeten twee gekruiste houten planken de hellepoorten. Zo schilder je die nu eenmaal. Maar de vaart waarmee Christus naar beneden lijkt te gaan, de voortvarendheid ook waarmee hij Adam de hand reikt om hem uit de duisternis te trekken, die zijn weer weinig Byzantijns.

Het zijn wel vaker zulke details die treffen. De geboorte van Jezus wordt ook dikwijls voorgesteld zoals dat ook op iconen hoort, met een liggende Maria en Christuskind, hier altijd met alleen hun kopje omhoog, een peinzende, soms regelrecht bedroefd kijkende Jozef (waarom toch?), de aanstormende drie koningen met hun geschenken en beneden aan de heiligen die Christus wassen. Altijd schenkt een van hen het water in het bekken waar de andere haar hand in heeft, maar nooit nog leek het, zoals hier, dat de vrouw die Jezus op schoot heeft, voelt hoe de temperatuur van het badwater is.

Behalve de heel mooie, van kleurrijke achtergronden voorziene, veelal Cilicische miniaturen, is er ook een groep afkomstig uit een andere streek, Vaspurakan, waar veel eenvoudiger illustraties werden gemaakt. De achtergrond is vaak niet ingekleurd en de figuurtjes zijn nogal plat en simpel. Veel van de afgebeelden lijken een beetje te lachen, de bruidegom op de bruiloft te Kanaän ziet scheel van de drank, de drie koningen komen op kousenvoeten aandansen, en het bijna Perzische jongetje Isaak kijkt met enorme angstogen naar de halfronde dolk die zijn vader Abraham tegen zijn keel houdt terwijl hij de jongen aan zijn haren omhoog tilt. Hier ook zowaar een vrolijke Jozef, die weer drie andere, kalmere, koningen met blije gebaren binnenhaalt en trots op de achter hem gelegen moeder en haar kind wijst, die verrukt lachend naar het bezoek uitkijken.

Steeds weer, naar al die platen en boeken kijkend, verwonder je je over het leven van boeken, vooral van handschriften. Ooit heeft een mensenhand op dit papier gerust en met een kwastje zo'n rond oog geschilderd, een klein lachkuiltje aangebracht, een mantel laten zwieren. Die hand was de hand van een monnik in een cel vol ongedierte (,,Ik zit hier te schrijven en een muis piste in de marge'') in een land waar dan weer Arabieren, dan weer Mongolen dan weer Turken de akkers platbrandden en de steden onveilig maakten. De eenvoudige kloosters waren wel mooie, maar ongetwijfeld kille stenen gebouwen met torenspitsen als ronde feestmutsjes, gelegen tussen eindeloos lege bergen of op enorme vlaktes, de toekomst was onzeker, maar de monnik schreef en tekende. En nu, in 2001, kun je nog altijd zien wat hij gedaan heeft. Omdat iemand dit boek als heilig heeft beschouwd, het heeft meegenomen voor een klooster verbrand werd of ontruimd, het heeft verstopt, met zijn lichaam beschermd, het later heeft doorgegeven aan anderen. Die boeken zíjn in zekere zin de Armeense cultuur, geschreven in het alfabet dat een van hen, op verzoek van de kerkelijke autoriteiten, in 403 ontwierp speciaal om het Armeens te kunnen schrijven. Ze vertegenwoordigen alles wat de Armeniërs bindt: hun taal, hun geschiedenis, hun geloof. En, misschien het belangrijkste, hun vitaliteit. Wie weet, het is niet onmogelijk om het te geloven als je deze miniaturen ziet, wie weet, is het behalve al het andere ook leuk om een Armeniër te zijn.

Middeleeuwse miniaturen uit het christelijke oosten. Museum Catharijneconvent, Utrecht. Di t/m vr 10-17u, za en zo 11-17u, ma gesloten. Inl. 030-2317296. Catalogus f69,30.

    • Marjoleine de Vos