Heijermans kan niet kapot

In Engeland heet `Op hoop van zegen' `The Good Hope'. Voor de bewerker is het een actueel toneelstuk, maar de regisseur denkt daar heel anders over.

Aan de waterkant zit een jongetje dat met een scheepje speelt – een foto in dromerig sepia, die op lang vervlogen tijden duidt. Daarboven is in kloeke kapitalen de titel van het stuk afgedrukt: The Good Hope. De naam van de schrijver staat ook op het affiche, maar omdat Herman Heijermans voor het Engelse theaterpubliek een onbekende is, wordt in hetzelfde lettertype vermeld dat het is bewerkt door Lee Hall. Hij is, als auteur van het toneelstuk Cooking with Elvis en de succesfilm Billy Eliot, veel bekender. Ik denk dat ik hier vanavond de enige ben die Op hoop van zegen al eens eerder heeft gezien.

In de kleine Cottesloe-zaal van het betonnen National Theatre in Londen, aan de zuidoever van de Theems, wordt The Good Hope gespeeld. Dat is in Engeland al meer dan vijftig jaar niet meer gebeurd. Het is herontdekt door de Schotse regisseur Bill Bryden, die het in 1989 al in het Nederlands regisseerde bij het RO Theater. Hij vond het zo'n belangrijk stuk, dat hij vervolgens twaalf jaar lang bezig is geweest om het ook in Londen ten tonele te kunnen voeren. Uiteindelijk vond hij gehoor bij Trevor Nunn, de flamboyante artistiek leider van het National Theatre. Nunn liet zich mede overtuigen door de verstilde foto's die Frank Meadow Sutcliffe rond de vorige eeuwwisseling maakte van het vissersdorp Whitby, aan de Engelse noordoostkust. Kijk maar, zei Bryden: het stuk kan gemakkelijk uit Nederland worden weggehaald. Ook in Whitby werd de vis duur betaald.

Op het toneel staan nu dezelfde huisjes als op die foto's van honderd jaar geleden; smoezelig pleisterwerk dat eens wit is geweest, onder baksteenrode dakpannen. In een hoek liggen de rieten fuiken opgestapeld waarmee de vissers van Whitby de kreeften vingen. Op drie hoeken staan straatlantaarns, die later door een man met een ladder worden opgestoken. Op de geluidsband krijsen meeuwen en ruist de zee. Vóór op het toneel, in het midden, staat een kiektoestel op een driepoot met een doek erover. Dat zal naar Frank Meadow Sutcliffe verwijzen. Het hele gezelschap – kielen, boezeroenen, laarzen, plompe klompschoenen – stelt zich op, als voor een groepsfoto. Uit de kelen klinkt een trage klaagzang: I dreamed a dream the other night – Lowlands away... Het drama kan beginnen.

In de eerste jaren na de Nederlandse première, op 24 december 1900, maakte Op hoop van zegen een internationale zegetocht langs alle Europese hoofdsteden. Het kwam in 1903 naar Londen, waar de rol van Kniertje werd gespeeld door de aanbeden actrice Ellen Terry. In de Saturday Review schreef de vooraanstaande criticus Max Beerbohm hoe bijzonder dit stuk was: geen salonfiguren maar echte mensen, nauwelijks een liefdesverhaal en toch zo levendig, daar konden de Engelse toneelschrijvers een voorbeeld aan nemen. Vier jaar later ging Ellen Terry ermee naar Amerika. De recensent van de New York Times bekritiseerde het overdreven melodramatische spel: ,,Dit is een vertelling van de soort die geen bijzondere nadruk behoeft.''

Achterhaald

Maar dat glorieuze verleden maakte het er voor Lee Hall niet makkelijker op, schrijft hij in het programmaboek. Hij kreeg – in de Engelse oervertaling – een tekst onder handen waarvan de problematiek op het eerste gezicht allang achterhaald was. Het feit dat de reder in Op hoop van zegen willens en wetens een wrakke schuit de zee opstuurde, maakte in Nederland immers zo veel indruk dat er negen jaar na de première een strengere Schepenwet kwam. Al snel kwam Hall echter tot de ontdekking dat dit niet zomaar een stuk ouderwetse agit-prop was, dat louter door een wetswijziging zijn angel had verloren. Het gaat, schrijft hij, over ,,verzet en het handhaven van waardigheid te midden van onrecht''. En hij wijst erop dat Cathérine Deneuve in Le dernier metro niet voor niets langs een affiche van La bonne Espérance liep, als ze 's nachts haar ondergedoken joodse man bezocht.

Terwijl hij aan The Good Hope werkte, aldus Hall, ontspoorde er in Hatfield een ondeugdelijke trein met dodelijke gevolgen en kwamen de ziekenhuiswerkers in de Midlands in opstand tegen de schaarse budgetten in de gezondheidszorg. Daar ging het stuk dus over, concludeerde hij: over publieke en private belangen, over de eeuwige strijd tussen geld en openbare veiligheid, en over de vraag wie profijt trekt van wiens inspanningen. Actueler kan het niet.

En toch zet Bill Bryden dus die schilderachtige huisjes op het toneel. Af en toe laat hij zijn spelers zelfs een folkloristisch dansje maken bij een Nikkelen Nelis die hij op een foto van Sutcliffe zag staan – en zie ik het goed: staan er bij Kniertje vieze vegen op haar afgetobde gezicht?

Hier heet ze Kitty, terwijl haar opstandige zoon Geert de naam James heeft gekregen, haar doodsbange benjamin Barendje nu voluit Benjamin heet, en reder Bos is omgedoopt tot Christopher Makepeace. Kitty wordt gespeeld door Frances de la Tour, een terecht gerenommeerde actrice met de stem van Kitty Courbois. Ze zwalkt heen en weer alsof ze voortdurend haar evenwicht dreigt te verliezen, en dat gebeurt ook tijdens de nachtelijke stormscène, als de vissersvrouwen elkaar over hun eerder verdronken mannen en zonen vertellen. Buiten huilt de wind om het huis; en als de voordeur opengaat, wordt Kitty omver geblazen. Ze rolt over de grond. Het lijkt meer op een dronkemansgelag dan op een wanhopig gevecht tegen de elementen.

Melodramatisch

Verbazingwekkend allemaal; de bewerker toont aan hoe actueel het stuk nog is, en de regisseur doet zijn uiterste best het terug te duwen in de tijd. Tijdens de pauze van de try-out die ik bezoek, loopt een jong stel de deur uit. Zodra ze bij de hoek zijn, buiten het zicht van de mensen in de hal, slaan ze zich op de knieën van de pret. Ook een stuk of acht oudere bezoekers hebben het in de pauze wel gezien.

Terug in de zaal staat decorontwerper Hayden Griffin aan een bevriend echtpaar te vertellen dat hij al eens eerder een decor voor The Good Hope heeft gemaakt – in 1989 in Rotterdam – en dat dat bijna hetzelfde was als nu. Hij herinnert zich hoe verbaasd die Hollanders waren; ze hadden Bill Bryden voor een regie gevraagd en toen kwam hij met een Nederlands stuk aan. Zij dachten natuurlijk dat hij Shakespeare of zoiets zou suggereren. Dat klopt, hoor ik later van Jos Thie, die destijds samen met Antoine Uitdehaag de artistieke leiding van het RO Theater voerde. ,,Het was een mooie, integrale, realistische voorstelling'', zegt hij, ,,maar absoluut niet melodramatisch.''

En nu is The Good Hope melodramatisch en niet integraal, al is Lee Hall zo te horen tamelijk zorgvuldig met Heijermans omgesprongen. De tekst is ingekort en samengebald, in bloemrijke visserstaal, die hooguit wordt ontsierd door een enkele fuck this of fuck that. Verder heeft de bewerker – wellicht zonder het te beseffen – een correctie gepleegd die tegemoet komt aan onze vertekende herinnering. ,,De vis wordt duur betaald'', de sleutelzin, wordt altijd aan Kniertje toegeschreven, maar in werkelijkheid waren die woorden toebedeeld aan de vissersvrouw Truus, die verder in het stuk nauwelijks voorkomt. Hall moet hebben bedacht dat zo'n sterke zin beter bij Kitty past. Ze vertelt hoe ze haar man verloor en zegt, om het verhaal af te ronden: ,,It's a high price to pay for fish.'' Maar jammer genoeg staat er bij haar een komma achter, en dan komt er nog iets achteraan: ,,that's for sure.'' Alsof je zegt: ,,De vis wordt duur betaald, dat staat vast.''

Intussen doet Bryden er ook tijdens die scène alles aan om de handeling door veel gedoe – deur open, deur dicht, lopen en vallen – pittoresk te maken. Het scheelt weinig of hij had Heijermans kapot gekregen. Maar dat lukt niet, want Heijermans kan niet kapot. Ik zie een staaltje volkstoneel uit het jaar nul, en toch huiver ik met de vissersvrouwen mee. De mannen zijn op zee en allemachtig, wat een noodweer. Niet te geloven dat het water er op de affiche zo rimpelloos bij ligt.

`The Good Hope' ging gisteravond in première in het National Theatre in Londen en blijft daar t/m 9/1. Inl. 0044 20 74523000, www.nationaltheatre.org.uk