Georgië dubt: `witte vos' of oorlog

Edoeard Sjevardnadze regeert het eigenzinnige Georgië al een kwart eeuw. Dat maakte hem niet alleen puissant rijk, het leverde de `witte vos' ook steeds meer vijanden op.

De president van Georgië staat voor alles behalve het goede. Elke vraag over Sjevardnadze staat borg voor ruige antwoorden. Soms is hij de ,,politiestaat''. Vaker is hij een ,,pederast'', of moet hij ,,tegen de muur''.

Die laatste opvatting lijkt realistisch. In de hoofdstad Tbilisi wemelt het van mannen met pistolen. Ze getuigt echter niet van werkelijkheidszin. Weliswaar zijn de vrienden van Sjevardnadze slechts met een lantaarn te vinden, zijn vijanden zijn door onderling wantrouwen ook elkaars vijanden. De 73-jarige `witte vos' weet dat.

Sjevardnadze regeert de eigenzinnige natie al een kwart eeuw. In 1972 werd hij er partijchef. Vanaf 1985 was hij even weg als minister van Buitenlandse Zaken in Moskou. In 1992 keerde hij terug. Een burgeroorlog had het land langs de rand van de afgrond gevoerd. Bepakt en bezakt met D-marken en dollars (waardering voor bewezen diensten de Koude Oorlog) moest Sjevardnadze het land weer richting oude glorie voeren.

Tijdens het bewind van hypernationalist en president Gamsachoerdia had Georgië moeten aanzien hoe de Osseten zich bij Rusland voegden. Veel meer kon er niet bij. Er kwam nog meer bij. In 1993 ontketenden de Abchazen een separatistische oorlog. Ook Adzjarië verklaarde zich autonoom, zij het ongewapend. Tegelijkertijd stortte de economie in. Een ramp, omdat Georgië amper over natuurlijke hulpbronnen beschikt en het moet hebben van landbouw, transport en industrie.

Ruim acht jaar en twee verkiezingsoverwinningen (in 2000 verwierf Sjevardnadze 80 procent van de stemmen) later is het beeld niet beter. De nationale munt mag stabiel zijn, dit monetaire beleid kost politiek veel. Negen van de tien burgers leeft onder het bestaansminimum van 100 gulden per maand. Voor de VS was dit reden Georgië, met een buitenlandse staatsschuld van vier miljard gulden op een bruto binnenlands product van drie miljard, op de lijst van de armste landen te zetten. Voor twee miljoen Georgiërs (een derde van de bevolking) was dit reden te emigreren.

De achterblijvers hebben nu genoeg van Sjevardnadze, ook en vooral wegens de jubelende rijkdom van het politieke elite die serieuze concurrentie met moordende corruptie en intimidatie smoort. Haar eerste fortuin heeft deze elite vergaard tijdens de hyperinflatie na de onafhankelijkheid in 1991. Ze kreeg toen kredieten met een rente zonder nullen achter het eerste cijfer. Dat werd omgezet in dollars. Als de inflatie hoog in de twee nullen stond, kocht de debiteur Georgisch geld terug om de schuld af te lossen. Met de resterende dollars werden vervolgens (staats)bedrijven gekocht.

Slechts een beperkte groep kon meedoen. Net als in Rusland, zij het met één verschil. Door de omvang van Georgië (twee keer Nederland), het gebrek aan economische infrastructuur, het separatisme in drie hoeken van het land en de decennia oude positie van Sjevardnadze in het overgebleven hartland ontstond geen markt van meerdere clans, maar een monopolie: ,,Die ene clan van de president, twintig ministers en honderden onderministers controleert alles'', aldus een ingenieur die in 1992 een tapijthandeltje heeft opgezet. Hij houdt zijn zaak klein, om te voorkomen dat ,,ze'' langskomen met het `verzoek' te mogen participeren – op straffe van liquidatie.

Dat er in Georgië één clan is, is overdreven. Maar het is waar dat politiek en economie er identiek zijn. Zeker de grote jongens zijn allemaal verbonden met de regering. Wilde verhalen doen de ronde. Stuk voor stuk zijn ze amper te verifiëren bij gebrek aan betrouwbare registers. Vast staat niettemin dat Sjevardnadze boven in de piramide vertoeft. Echtgenote Nanoeli beheerst via een paar vrouwenbladen en de staats-tv grote reclame-inkomsten. Dochter Manana en haar man zitten in de mobiele telefonie, chemie en elektriciteit. Neef Noegzar controleert de olie- en sigarettenmarkt. Zwager Goeram is grootgrondbezitter in Tbilisi en Poti, de enige haven die Georgië nog heeft.

Lager in de hiërarchie herhaalt dit patroon zich. Maar juist daar begint het systeem te scheuren. Het conflict tussen president en parlement, dat vorige week tot uitbarsting kwam na een politie-inval bij Roestavi-2, is een geschil om posities. De jongeren rond parlementsvoorzitter Zjvania en ex-minister Saakasjvili (Justitie) willen niet meer de tweede viool spelen. De oude `machtsministers' van Politie en Staatsveiligheid, aan wie Sjevardnadze veel verplicht is, belemmeren hen.

De Roestavi-inval was een geschenk uit de hemel. In twee dagen stond alles ineens op scherp. Alleen door zelf met aftreden te dreigen, wist Sjevardnadze de situatie te beheersen. Dit va-banque leidde tot het ontslag van de voltallige regering plus Zjvania. De president moest toen wel zijn ,,verantwoordelijkheid'' nemen, kortom, op zijn post blijven.

Zelfs de studentbeweging aanvaardt dat. De studenten waren jarenlang zo apolitiek dat ze nu vanuit het niets hun faam (,,zonder de studenten gebeurt er niets'') moeten waarmaken. De leiding berust bij een tiental jongens die de marsroute uitstippelen. Meer dan tactiek is het niet. Afgelopen maandag was Sjevardnadze te gast in de aula van de universiteit. De studenten bliezen vooral stoom af. Het probleem van de oppositie werd er desondanks duidelijk. De meeste activisten ontlenen hun inspiratie aan een onbuigzaam nationalisme, dat tegen de ,,vijand'' in het noorden is gericht, en dat tegelijkertijd geen aansluiting wil zoeken bij het westen. Ze verwijten Sjevardnadze dat ,,de republiek niet meer bestaat'' en dat hij de ,,patriotten'' in Abchazië en elders aan hun lot overlaat. Maar ze weten ook dat zijn vertrek nu zal leiden tot ,,een schisma''.

Burgeroorlog is vooralsnog het alternatief voor Sjevardnadze. Zoals de in tapijten handelende ingenieur het cynisch hoopvol zegt: ,,Toen ik in Tbilisi kwam studeren, was Sjevardnadze er al. Als ik sterf, zal hij er nog zijn.''