Een koortsachtige stoet van personages

Ze zijn niet van de straat, de romanfiguren van Pauline Slot. Ze hebben ergens voor doorgeleerd en maatschappelijk gezien zijn hun levens geslaagd te noemen. De hoofdpersoon van haar derde roman, Tegenpool, is wetenschapsjournaliste en schrijft naar eigen zeggen amusant en onderhoudend over eencellige bacteriën. `En naarmate mijn artikelen meercelliger zijn, wordt het hilarischer.' Een zelfbewuste, bijdehante vrouw, die het liefst zelf aan het woord is en meteen doorheeft, tijdens een kerstcruise langs de Noorse kust, dat zijzelf de interessantste passagier aan boord is.

Maar al gauw blijkt dat zij veel minder volmaakt is dan zij anderen wil doen geloven. Zo komt ze er bijvoorbeeld pas na aanvang van de cruise achter dat het uitzicht beperkt is als men in de winter richting Noordpool vaart. Weliswaar heeft zij zich op het laatste nippertje aangemeld voor de reis, maar voor een natuurwetenschappelijk onderlegde journaliste is het toch vreemd om niet aan de poolnacht te hebben gedacht.

En Katherine mag dan een leuke baan hebben en een interessante achternaam, Shakespeare, maar op haar veertigste heeft ze haar leven nog niet echt op orde. Ze is biseksueel, maar alleen; haar zoveelste relatie, met een vrouw, is net beëindigd. `Krijgen is het probleem niet', zegt ze daarover, `maar houden wel.'

Ook blijkt ze een nogal ambivalente kinderwens te koesteren. Ze wil geen kind ter wereld brengen, omdat ze bang is dat er iets mis zou kunnen gaan. En dan volgt deze hypochondrische opsomming. `Open ruggetje. Hartklepproblemen. Verstandelijk gehandicapt. Gezond geboren, maar kanker op zesjarige leeftijd. Kanker op twaalfjarige leeftijd. Drugs. Mij haten. Het leven haten. Het leven beëindigen.' Maar als er een vrouw aan boord komt met een tien maanden oude baby, dan kan ze aan bijna niets anders meer denken. Net als de andere kinderloze dames aan boord probeert zij Noël, zoals het kind nogal symbolisch heet, `mijn redder, mijn verlosser, mijn kerstkind', zoveel mogelijk voor zichzelf op te eisen, in een genadeloze concurrentiestrijd.

Net als in haar vorige romans Zuiderkruis (1999) en Blauwbaard (2000) wordt in Tegenpool naarstig gezocht naar zoiets als identiteit of bestaansgrond. In Zuiderkruis hervindt een vrouw zichzelf na een fietstocht van anderhalf jaar door Australië en Nieuw Zeeland. Pas dan, rond haar veertigste, komt zij te weten wat zij ongeveer wil van het leven. De hoofdpersoon van Blauwbaard reist terug naar Zweden om noodzakelijke ontdekkingen te doen over haar afkomst en achtergrond. En Katherine moet in het donker langs fjorden varen om na te kunnen denken over haar vroegste jeugd en om vervolgens inzicht te krijgen in haar wankele geestesgesteldheid. Intussen belt en mailt ze om de haverklap met familieleden die zich in Egypte, Frankrijk en rond de Zuidpool (de tegenpool uit de titel?) bevinden.

Slot opereert in haar romans kennelijk het liefst buiten de eigen landsgrenzen. Zoals steeds moet ook hier een mysterie, een familiegeheim worden opgehelderd, waarnaar gestaag en met subtiele hints wordt toegewerkt. Ik vermoed dat Pauline Slot aanleg heeft voor het schrijven van detectiveromans: zij weet goed spanning op te bouwen en de ontknoping is ook deze keer verrassend, zeker in combinatie met het nogal overrompelende, open einde.

Maar er is ook iets vermoeiends en onwezenlijks aan deze rechercheachtige manier van schrijven. Alles is er steeds maar op gericht om de vaart erin te houden, om veelbetekenend te zijn voor later. De informatiedichtheid is hoog. We moeten steeds maar dingen weten, over het eten, over chocolaatjes die gepikt worden, over talloze intermenselijke relaties, over de machinekamer, over de kleding, de gewoonten en hebbelijkheden van de medereizigers. Ook over de familieverhoudingen, de kapstok en de keukenspullen vroeger in het ouderlijk huis en wat al niet meer worden wij uitvoerig ingelicht.

Tegenpool is een koortsachtig geheel van snelle mededelingen, observaties, namen, dialogen, gedachten, gebeurtenissen en feiten. De vele verwikkelingen zijn amper bij te houden en een ware carnavalsstoet van personages trekt voorbij, die niet altijd even gemakkelijk van elkaar te onderscheiden zijn. Ruimte voor enige reflectie, voor een weloverwogen overpeinzing, voor een mooi beeld of een saillante formulering is hier niet. Steeds dient er gehandeld te worden, een conclusie getrokken, ironisch commentaar geleverd, een geintje gemaakt. Vooral die kluchtige ondertoon zorgt ervoor dat Tegenpool alleen met een zekere afstand en bevreemding te lezen is. Van de existentiële wanhoop van de hoofdpersoon, waarop meer dan eens gezinspeeld wordt, of van haar depressieve gevoelens valt eigenlijk niets te bespeuren. Zij is misschien wel zielig, maar het is niet goed mogelijk om medelijden met haar te hebben. Daarvoor biedt zij te weinig houvast, deze onvermoeibare kletskous.

Een vrouw met een grote mond en een klein hartje, om zo'n soort tegenstelling lijkt het Slot te gaan. Katherine kan wel in 52 columns voor haar krant `de ontwikkeling van het leven op aarde' bespreken, columns die ze 's nachts even uit haar mouw schudt, terwijl de medereizigers liggen te slapen, maar ze heeft geen idee wat ze met haar eigen leven aanmoet en welk levensdoel haar daarbij voor ogen zou kunnen staan. `Ze had er evengoed niet kunnen zijn', bedenkt ze op zeker moment. Dat klinkt sneu en tragisch, al is het natuurlijk een waarheid als een koe. Wie Tegenpool heeft gelezen, kan haar eigenlijk alleen maar gelijk geven. We zouden haar niet hebben gemist, als ze er niet was geweest.

Pauline Slot: Tegenpool. De Arbeiderspers, 216 blz. ƒ32,61

    • Janet Luis