Echt en waar, dat moest het zijn

Een landhuis in Bergen herbergt de geschiedenis van een familie met vier generaties kunstenaars. Charley Toorop schilderde hoekig, John Fernhout filmde schuchter.

Jan betaalde het, Charley, Edgar en John werkten erin, Rik bracht er zijn jeugd door en hoopt dat jonge kunstenaars er in de toekomst een tijd kunnen verblijven. De geschiedenis van de familie Toorop/Fernhout is nauw verbonden met één huis.

Charley Toorop had als eerste een atelier op de bovenverdieping van `De Vlerken', een royaal landhuis in Bergen, Noord-Holland. Naar ideeën van Charley liet Jan Toorop (1858-1928) het in 1921 voor zijn dochter bouwen. Hij woonde zelf ook het liefst vlakbij de kust. In Katwijk aan Zee maakte Toorop in 1899, toen Charley acht jaar was, zijn mooiste schilderijen. Dit keer geen symboliek. Honderden lichte stippen geven je de duinen en de zee.

`De Vlerken' ligt vlakbij de duinen, aan de Buerweg. Als je er langs loopt, zie je dat de naam van de villa ook werkelijk op de gevel is verbeeld. Twee reusachtige vlerken, helemaal zwart, om de ramen van het atelier heen, een toespeling op het gedrag van Toorops kleinzoons, Edgar en John.

Daar werkte Charley Toorop in het voorjaar van 1941, aan een stilleven met flessen, kannen en bladeren. Haar kleinzoon Rik zegt dat het voor haar een landschap was. Een fles ziet eruit als een strenge toren en een bord als een spiegelend meer.

Maar ze begon toen ook aan een doek waarop ze haar vader, haar zoon Edgar Fernhout en zichzelf voor het raam van het atelier wilde afbeelden. Het is nu te zien in het Centraal Museum te Utrecht. Daar maakt het tot 3 februari 2001 deel uit van Vier Generaties een eeuw lang de kunstenaarsfamilie Toorop/Fernhout. Het hangt er gewoon. En toch was het hoogst onzeker of Charley Toorop (1891-1955) het doek wel zou kunnen voltooien.

Ze wilde bij Drie generaties, zoals altijd, pal tegenover haar modellen staan. Pas dan kon ze de plooi bij een mond of de frons van een wenkbrauw zo diep mogelijk peilen. Echt en waar, dat moest het zijn.

De spijlen van het raam en de tuin daarachter, die waren voorlopig beschikbaar. Dat grote huis was nog niet door de Duitsers gevorderd. En Edgar zou vast wel willen poseren. Voor het uitbreken van de oorlog was hij met zijn vrouw Rachel Pellekaan, na een lang verblijf aan de Italiaanse Rivièra, naar Nederland teruggekeerd.

Maar haar vader? Hij was in 1928 gestorven. Aan een vlakke foto had ze niets, en toen besloot ze Jan Toorop anders te vertegenwoordigen. Ze bezat de woeste kop van brons, die John Rädecker in 1933 van hem had gemaakt. Als ze die nou eens links voor het raam zette, naast Edgar, en dan zij zelf, al schilderend, ervoor.

De 50-jarige Charley Toorop werkte als een bezetene tot ze `De Vlerken' in maart 1943 moest verlaten. Bergen werd geëvacueerd. De kustplaats hoorde bij de Duitse verdedigingslinie.

Ze sloeg haar schilderijen op in verschillende depots en leidde een zwervend bestaan. Het familieportret bleef in haar bagage. Toen ze in juli een atelier kreeg in Blaricum, bij de Stijl-schilder Bart van der Leck, probeerde ze meteen weer verder te gaan.

In Bergen had ze vooral aan de Toorop-kop en de tuin gewerkt. Ze voorvoelde dat ze moest vluchten en die twee kon ze niet meenemen. Het portret van Edgar had ze uitgesteld. Een goede gok, haar oudste zoon vond onderdak bij vrienden in het nabijgelegen Baarn. Toch kwam hij maar af en toe bij Van der Leck opdagen.

Paaseilanden

Edgar Fernhout (1912-1974) was in die tijd 31 jaar. Hij schilderde al een jaar of vijftien, de lakens van een onopgemaakt bed, een open raam, vijgenbladeren, een zelfportret. De hoekige scènes van zijn moeder, dat was niets voor zo'n verlegen man. Zijn voorstellingen waren veel ranker, eerder beïnvloed door de magisch realist Wim Schuhmacher, die Edgar in `De Vlerken', als een van de vele vrienden van Charley, had leren kennen.

De eerste films van zijn broer John, daarmee voelde hij zich misschien ook verwant. Die was in 1934 zes maanden op expeditie gegaan naar de Paaseilanden. De langgerekte koppen in het open land. Een jongen met een door lepra aangevreten gezicht speelt op een mondorgel. John had het schuchter gefilmd, wilde tot elk beeld een zekere afstand bewaren.

In het begin van de oorlog werkte Edgar Fernhout aan enkele landschappen, terughoudend, heel veel lucht en weinig land. Op het eerdere werk is iets gerings als de rimpeling van een laken of de stand van een raam toch een opvallende gebeurtenis. Het lukt de schilder nog niet zich er geheel uit terug te trekken, om het onaanzienlijke, zonder nadruk, intact te laten.

In Sneeuwlandschap (1940), Landschap met twee bomen (1943) en vooral in Voorjaarslandschap (1941) lukt dat wel. Dit laatste doek dook een paar jaar geleden op bij een veilinghuis en werd voor een spotprijs door de erven Fernhout teruggekocht. Het loopt vooruit op de landschappen waarmee Edgar Fernhout aan het eind van de jaren vijftig begon. Dan zie je alleen nog kleur, toetsen blauw of geel, afgezanten van de zee of de winter, soms vrij zwevend op het doek, een andere keer binnen een raster.

Zo ver is het in 1941 niet. Voorjaarslandschap is nog een verslag van de omgeving. Een smalle strook grasland, enkele voren, een bouwsel in de verte, het neemt maar een klein deel van het doek in beslag. Daar is de lucht, een grootse lap, veel weidser dan op zijn Italiaanse doeken.

Fernhout probeert er een beeld van te geven zonder dat hij er, door een overmaat aan kleur of een te scherpe vorm, zelf in voorkomt. De christelijke symboliek van Jan Toorop, de architectonische diepte van Charley, voor Edgar Fernhout waren het te grove charges die het zicht op de eenvoud van een omgeving vertroebelen. De schilder moet afwezig zijn, mag wat hij heeft gezien niet met iets al te persoonlijks afdekken.

In Utrecht hangt het Voorjaarslandschap een beetje achteraf, en toch is het een hoogtepunt van de tentoonstelling. De lucht is grijs en blauw tegelijk, nevelig, dat ook nog, je kunt die drie niet uit elkaar trekken. Niet de heftigheid van Ruysdael of de Engelsman Turner, het is de lucht die nauwelijks op iets kan bogen.

Hartaanval

Op een foto uit eind 1949 zitten Charley Toorop en Edgar Fernhout weer tegenover elkaar in `De Vlerken'. Drie generaties, het doek is nog steeds niet af. Charley werkt aan de kop van Edgar, het voorhoofd of een wenkbrauw. Ze zit kaarsrecht voor het doek, iets minder bezeten dan vroeger. Na een hartaanval moest ze het kalmer aan doen.

Hebben ze tijdens de pose veel gezwegen? Hun werk liep steeds verder uiteen, het scherp reële van Charley tegenover Edgars losser wordende en ten slotte geheel abstracte tinten.

Misschien hebben ze toch nog over iets gemeenschappelijks gesproken, over de kop en de tuin die zo lang buiten Charley's bereik waren gebleven, net of ze zich tegen de voorstelling hadden verzet. Dat moet Edgar glimlachend hebben herkend, het nabije dat onbereikbaar blijft. Later wilde hij zelf zee of dooi worden om iets te kunnen weergeven van wat in een landschap nauwelijks in het oog springt.

Toen Edgar Fernhout in 1955, na de dood van zijn moeder, het huis overnam, verkocht hij al haar schilderijen. Ze waren te dwingend aanwezig. Het interieur onderging toen nog een voor Fernhout typerende verandering. De primaire kleuren van Gerrit Rietveld werden vervangen door het kwetsbare grijs van Schuhmacher.

Een hoek van het atelier op de foto uit '49 is nogal vaag. Daar zit een vrouw op de grond. Ze leunt grappig met een arm op de knie van Edgar en kijkt uit de schemer naar Charley. Het is Nanette `Netje' Salomonson, Edgars tweede vrouw, die nog steeds in `De Vlerken' woont.

In 1959 werd hun zoon Rik geboren. En nu gebeurt er in Utrecht iets uitzonderlijks. Het overzicht opent niet met Jan Toorop, maar met Rik Fernhout, die pas in de jaren negentig begon te schilderen. De volgorde van de familie staat prikkelend op z'n kop.

Rik Fernhout zegt in de voorbeeldig feitelijke catalogus dat hij vanaf een balkon naar de mensen op straat kijkt om te zien hoe ze ineens zomaar van richting veranderen. Dat lijnenspel staat hem voor ogen als hij met een doek begint.

Op Zonder titel (2001) zie je, in verschillende tinten rood, een brede wig. Daarin wemelt het van de dingen. Een raam, nee, een nier, misschien, een trompet, wie weet, een priktol, het zou kunnen.

Dat onbesliste maakt van de voorstelling een kaleidoscoop. Steeds verbind je een paar lijnen tot een nieuw vergezicht. Hier wordt je niets voorgeschreven, zelfs de kleur niet. Aan de zijkanten van de wig is het rood stukken lichter. Op de grens komt het in beweging, of het zelf ook niet meer weet welke diepte het moet aannemen.

Rik Fernhout schiet langs zijn verlegen vader en strenge grootmoeder. Bij Jan Toorop, daar hoort hij thuis. Deze symbolist, zo vaak gevangen in zijn eigen goede bedoelingen, haalt soms krankzinnig uit. Op een kruiswegstatie uit 1913 gaat het eerder om de benen van de gefnuikte Verlosser dan om de devotie. De stakige diagonalen steken bijna de voorstelling uit.

Alcoholisme en De verleiding, deze zware kost uit 1888, wordt door kleurige stippen versluierd, of het om een zeegezicht gaat. Toorops spot keert bij Rik Fernhout terug. Samen verzachten zij de ernstige pogingen van hun familie om iets van de onneembare omgeving te betrappen.

In de filmzaal draait Paaseiland van John Fernhout (1913-1987). Daarin zit een onvergetelijk dansje. De bewoners dragen een keurig uniform met pet. Vooruit, en dan maar weer achteruit, heen en weer, ze komen geen stap verder. De scène vat het werk van Toorop/Fernhout samen, symbolistisch, echt en waar, terughoudend en zeker spottend. Als Rik en Netje voor de zoveelste tentoonstelling het palet van Charley moeten leveren, doen ze in `De Vlerken' blindelings een greep in de goedgevulde familiekist.

`Vier Generaties Een eeuw lang de kunstenaarsfamilie Toorop/Fernhout'. Tot 3 febr. 2002 in het Centraal Museum, Utrecht. Di t/m do 11-17u; ma gesloten. Catalogus ƒ60,60.