Dwalen door een woordenwoud

Slechts zes summiere aanwijzingen geeft Hafid Bouazza om de titel van zijn nieuwste roman Salomon te verklaren. De eerste is het motto, ontleend aan het Bijbelboek Koningen over het bezoek van de koningin van Sheba aan koning Salomo: `..eenmaal in drie jaren, brengende goud en zilver, elpenbeen, en apen en pauwen'. Geen twijfel mogelijk dus, zou je denken, dat hier de oudtestamentische Salomo(n) bedoeld is, zoon van David, koning van Israël, beroemd om zijn wijsheid (`het Salamonsoordeel') en om zijn liefde voor vrouwen van wie hij er zevenhonderd bezat en die hem er toe aanzetten vreemde goden te dienen.

De spreekwoordelijke wijsheid van Salomo en diens veelwijverij spelen echter geen rol in Bouazza's vertelling. Wel komen andere eigenschappen van de legendarische koning aan bod. Zo komt Salomo zijdelings ter sprake als de man die een voorbeeld nam aan de vlijt van mieren en met dieren kon praten. De belangrijkste verwijzing naar Salomo is de mededeling dat hij voor de koningin van Sheba een glazen paleis heeft laten bouwen teneinde haar te kunnen bespieden en zo te ontdekken of het gerucht waar was dat haar scheenbenen behaard waren als de poten van een bok. `Toen zij (Sheba) het iriserende gebouw betrad, tilde zij haar rokken op in de waan dat zij door water waadde', schrijft Bouazza.

In een interview met Elisabeth Lockhorn, opgenomen in de zojuist verschenen bundel Geletterde mannen, heeft Bouazza het over `de spiegel van Salomo, waarin de wereld weerspiegeld wordt' en die hij evenals de Verhalen van duizend-en-één-nacht `een triomf van de menselijke verbeelding' noemt. Salamo's glaspaleis en zijn spiegel (die natuurlijk voor hetzelfde staan) komen niet in de bijbel voor. Bouazza heeft voor deze beeldspraak geput uit de koran (hoofdstuk 27 vers 45) waarin tot Sheba wordt gezegd: `Ga het paleis binnen. En toen zij het zag, dacht zij dat het een massa water was en zij raakte in verwarring. Hij (Salomo) zeide: Het is een paleis dat geplaveid is met glas.'

Deze verwijzing naar de koran blijft, anders dan die naar de bijbel in het motto, impliciet. Het behoeft geen uitleg dat Bouazza's Salomon in eerste aanleg de Salomon uit de koran is, gegeven de islamitische achtergrond van de auteur, die hij alleen in zijn debuut expliciet aan de orde stelde en sindsdien niet meer. Dat debuut, De voeten van Abdullah (1996), was een in de stijl van de Nederlandse Tachtigers geschreven bundel over een jeugd in Marokko. Uitdrukkelijk tekende Bouazza daarbij echter in interviews aan zichzelf niet als allochtone, maar als Nederlandse schrijver te beschouwen. Uit de novelle Momo (1998), een al even fantasierijk en woordkunstig boek als zijn debuutbundel, bleek hoe serieus hij dit meende: taalgebruik noch inhoud van het verhaal verried de uitheemse wortels van de schrijver.

Artis

Ook Salomom heeft geen expliciete `immigrantenproblematiek' (of het moet de verdubbeling van de personages zijn): de hoofdpersonen, twee spiegelbeeldige jongemannen en twee spiegelbeeldige meisjes, zijn Amsterdammers. Ze wonen in de Plantagebuurt tegenover de ingang van Artis, verhuizen naar de Hoofdweg, een van de jongens bezoekt met vrienden een hoer in de Bloedsteeg, wandelt langs de grachten van de Jordaan en ontmoet regelmatig de therapeut uit de Vossiusstraat bij wie een van de meisjes haar heil vindt. Weliswaar treedt er een man op die zich aan de ramadan en de islamitische feestdagen houdt, maar hij wordt als ongenode gast, zoniet als indringer beschreven. Als zijn gastheer hem betrapt op het houden van een lam in de douchecel, ongetwijfeld met de bedoeling het dier ritueel te slachten, wordt hij zonder pardon op straat gegooid. Er zijn tenslotte grenzen aan de Amsterdamse tolerantie.

Wat het eerst opvalt aan Salomon is het barokke taalgebruik, dat we al kennen uit eerder werk van Bouazza: alsof iemand een oud-Nederlands woordenboek heeft leeggekieperd en willekeurig met begrippen is gaan stoeien. Men loopt op `malve voeten', het oog van een prostituee is `door blindheid gebreeuwd', er is sprake van `ver gewispel', `schelle diepten van je winde', `een verloren wegel' in het park, `plapperende kinderen', `het wonnige wicht', `bratte nijlpaarden', `rilde armen', `rille schouderbladen', `de malve spriet van zijn nek', `nesse borsten', `grimmelend licht', `gridelijnen mist', `domende dagen' en `dodde borsten'.

Afgezien van de vreemde woorden borrelen uit de overvolle bladzijden ook nog eens grote hoeveelheden bizarre zinnen op, zoals: `Waarom word ik gekrabd en niet gekust? Waarom krabben, schorpioenen en niet pauwenveren om mijn blakende mandom te verkoelen. Waarom balkende monsters en geen moeder? Waarom monkelt een vrouw mij niet haar fluweellach toe en meert zij haar volle tepelheid niet aan de oevers van mijn boezem?'

Misschien houdt Bouazza gewoon van mooie, oude woorden, waarmee hij speelt als met stukjes glas. Misschien ook wil hij het de lezer expres moeilijk maken. Helemaal in het begin van het verhaal introduceert een naamloze, manlijke `ik' zichzelf met de mededeling dat mensen tijdens hun eerste contacten met hem `weerzin voelden voor mijn onhoudbare woordenstroom'. Kennelijk vraagt deze `ik' van zijn gehoor of het zich ondanks die afschrikwekkende woordenstroom wil laten meeslepen naar de kern van wat hij te vertellen heeft.

Maar vragen naar de kern van Salomon is hetzelfde als vragen naar de kern van James Joyce's Ulysses of — om dichter in de buurt te blijven — van Peter Verhelsts Tongkat. Bouazza heeft zich duidelijk door deze labyrintische, niet samen te vatten en voornamelijk op taal, associaties en verwijzingen drijvende boeken laten inspireren.

Bordeel

Net als de roman van Joyce is Salomon opgebouwd uit drie delen waarvan het laatste, een interpunctieloze monoloog van een vrouw, rechtstreeks verwijst naar de monoloog van Molly Bloom. Met Tongkat. Een verhalenbordeel heeft Salomon niet alleen de beeldende, sprookjesachtige verteltrant gemeen, maar ook de fenomenale, soms apocalyptische sfeerbeschrijvingen. Waar Verhelst een land oproept waarop een eindeloze winter neerdaalt, maakt Bouazza van Amsterdam een stad die gevangen raakt in een alles verzengende zomer waarin even verlokkende als huiveringwekkende `mirages' opdoemen.

Zoals Joyce en Verhelst hun veelal abstracte verhaal structuur geven door te verwijzen naar de mythologie (respectievelijk de Odyssee en de mythe van Prometheus), zo put ook Bouazza uit verscheidene klassieke bronnen waarvan de bijbel en de koran er slechts twee zijn. Hij schildert een aangrijpend portret van een kunstenaar als jongeman, eenzaam opgesloten in een ondoordringbare stad waarin hij in het kielzog van een alter ego, genaamd Kai, zijn weg naar de mensheid en vooral het vrouwelijke deel daarvan probeert te vinden.

Kai is een liefhebber van pornografische stripboekjes, waarvan de strakke kaders hem gevangen houden. De vertellende `ik' verzet zich tegen het leven in flarden waar de strips voor staan en wil `defragmenteren' (tot een geheel maken) wat het leven versnippert. Kai lijkt zo weggelopen uit De sneeuwkoningin, het sprookje van Hans Andersen dat begint met de duivel die een spiegel heeft gemaakt waarin al het grote en schone klein en lelijk wordt en al het slechte nog slechter. De spiegel stort in scherven op aarde neer. Enkele scherven zijn zo groot dat ze als vensterglas worden gebruikt en men moet oppassen zijn vrienden niet door zo'n ruit te zien, precies zo vertekend als Bouazza's `ik' Kai voortdurend ziet. Andere scherven komen in brillen terecht en wie zo'n bril opzet (zoals Kai en de ikfiguur in Salomon) kan niet meer goed en rechtvaardig zien.

Hart

In het sprookje van Andersen krijgt de hoofdpersoon, eveneens Kai geheten, een scherfje van de spiegel in zijn hart, een ijsklomp waarvan alleen de liefde hem kan verlossen. Salomon zit vol verwijzingen naar De sneeuwkoningin die Kai gevangen houdt in een doorzichtig ijspaleis (!) vol scherven waaruit hij bevrijd wordt door zijn geliefde, waarna een warme, koesterende en gezegende zomer intreedt. Of Bouazza's manlijke personages worden bevrijd, blijft in het midden. De twee duistere schoonheden, Meranda en Miranna, evenzeer elkaars spiegelbeeld als de `ik' en Kai, lijken niet bij machte de ijsklompjes tot smelten te brengen.

Wie zich door Bouazza's als lava voortstromende woordenvloed naar het aan de rand van de Etna eindigende boek heeft laten meevoeren, komt hooguit tot de conclusie dat de personages, om met de auteur te spreken, veilig zijn gearriveerd. Voor het overige is een oordeel nauwelijks mogelijk, laat staan een wijs en doorslaggevend Salomonsoordeel, daartoe biedt het verhaal te weinig referentiepunten.

Is er eigenlijk wel zoiets als een verhaal? Meer nog dan in de novelle Momo zit Bouazza in Salomon met zijn woordkunst en zijn stortvloed aan verwijzingen en associaties, zijn eigen bedoelingen in de weg. De term fragmentatie (en de noodzaak die op te heffen) is op dit nieuwste werk niet van toepassing. Hier is iemand aan het woord die vaak omslachtig en soms wonderschoon formulerend vooral zijn verhaal lijkt kwijt te zijn.

Hafid Bouazza: Salomon. Prometheus, 256 blz. ƒ39,50

    • Elsbeth Etty