De winkelbellen zwijgen

Er gloort roem voor Lutjebroek en Zwammerdam, voor Beetsterzwaag en Schoonderwoerd. Want als de voortekenen niet bedriegen, ontwikkelt zich een nieuwe stroming in de Nederlandse letteren — die van het provincialisme en de drang tot het vastleggen van verdwijnend plattelandsleven. Neo-neo-romantiek eigenlijk. `De School van Mak' zou ook een prima benaming zijn. Want het is diens Hoe God verdween uit Jorwerd dat voorzichtig navolging vindt in Tony van der Meulens onlangs verschenen boek `Anders nog iets?'

Onderwerp van Van der Meulens boek is de Nederlandse middenstand, of beter, de teloorgang daarvan, een proces dat eind jaren vijftig inzette, versnelde in de jaren zestig en zeventig, maar nog niet is afgerond. Plaats van handeling is dit keer Joure. Er zijn veel studies verricht naar deze economische erosie door het CBS, het Hoofdbedrijfschap detailhandel, door het Centraal Bureau Levensmiddelen maar geen enkel onderzoek is zo indringend, levendig, goed geschreven (en geestig) als dat van Van der Meulen.

De opzet die Van der Meulen heeft gekozen een mengeling van cijfermateriaal, herinneringen aan zijn jeugd als middenstandskind, gesprekken met onbekenden en een reportage uit zijn geboortedorp Joure lijkt een ideaal recept voor een hybride egodocument. Niets blijkt minder waar. Alleen al de inhoudsopgave met korte uittreksels uit de betreffende hoofdstukken is onderhoudend: `De kruidenier met koloniale waren is nu een bar-dancing waar een Miss Lingerie wordt gekozen; de oude kapperszaak zit er nog wel, maar je kunt er nu terecht voor een knipidee. (..) De christelijke boekhandel van mejuffrouw Ida van der Velden, die ook actief was in de zondagsschool, heeft moeten wijken voor een werelds haastproject: de 1 uur-service van Kodak.'

De beeldende manier waarop Van der Meulen als een socio-archeoloog laag na laag van zijn middenstandsjeugd in een dorpse manufacturenwinkel afgraaft, maakt dit boek tot een feest der herkennning voor lezers die, middenstandskind of niet, zelf opgroeiden in nog hevig verzuilde kringen met hun geheel eigen, zeker voor kinderen lang niet altijd navolgbare normen en conventies. `Tot onze klanten behoorden veel arbeidersgezinnen. In de winkel werden zij natuurlijk keurig en zeer voorkomend behandeld (..) Maar in de kamer achter de winkel leerde je dat arbeiders toch een ander slag waren dan wij. (..) Veel wist ik er niet van. Kennelijk aten ze raapstelen en koolraap, en wij daarom niet. (..) In de vierde of vijfde klas van de lagere school ben ik nog eens een paar weken omgegaan met een jongen die Sietze heette en bij wie ze nogal klein behuisd waren. (..) Ik moest daar maar niet niet meer heen gaan, zei [mijn moeder] op een dag.'

Met een schitterend gevoel voor detail en met een opmerkelijke zachtmoedigheid beschrijft Van der Meulen het tijdperk van het volmaakte ouderlijke gezag, toen discussies met en uitleg aan kinderen nog niet bestonden. `Voor de komst van Wedzinga & Boonstra in de jaren vijftig was hier ook al een bakkerij. De toenmalige bakkersvrouw liep op blote voeten door haar winkel, en daarom kwamen wij er niet.'

Meer dan honderdduizend van die oude winkelbellen klinken niet meer, zoals Van der Meulen het omschrijft. Bij tal van instanties heeft hij cijfers opgevraagd en oorzaken voor het verdwijnen van een groot deel van de middenstand gezocht. Van de ruim 24.000 kruideniers die Nederland in 1960 telde, waren er in 1999 nog 3.700 over. Van de ruim 15.000 groenteboeren resteren er nog 2.300. De bijna 23.000 manufacturiers zijn vrijwel allemaal verdwenen. Ouderdom, overlijden, de komst van de AOW, stadssanering, faillissement, fusie, emigratie en natuurlijk de opkomst van het grootwinkelbedrijf waren hier debet aan. Alleen slijterijen, opticiens, juweliers en dierenspeciaalzaken overleefden op wonderbaarlijke wijze.

Ook in Joure is de wereld waarin Van der Meulens ouders `leefden, hard werkten en ruzie maakten met de concurrentie compleet verdampt'. De tien kruideniers en de zeven manufacturiers zijn weg. De sigarenwinkel is er nog, net als café 't Hert. Nieuw zijn de cd-winkel, het zonnecentrum, de grenenkastenzaak en de vlaaierie. En Albert Heijn, Nieuwe Weme en Blokker. Conform de landelijke norm zijn er twee dierenspeciaalzaken gekomen, waaronder een Pets Place.

Het ragfijne en boeiende sociale spel tussen de lokale winkeliers, gespeeld volgens de geloofslijnen en het bestedingsgedrag in elkaars winkels, en `waarin voortdurend correcties mogelijk of noodzakelijk waren', is met de ontkerkelijking en het verdwijnen van veel middenstand verloren gegaan. En daarmee ook veel couleur locale. `De twee roomse steenkolenhandelaren, Huisman en De Vreeze, leverden om en om en droegen zakken antraciet en briketten op hun schouder door de winkel en door het achterhuis naar het kolenhok in het schuurtje. Later verkreeg De Vreeze het alleenrecht; zijn vrouw zal toen in onze winkel het koopgedrag van vrouw Huisman verre hebben overtroffen.' En: `Plotseling veranderde [mijn moeder] van bloemist. Ook dat moet een afrekening zijn geweest.'

Aanmerkelijk minder zachtmoedig wordt Van der Meulen als hij de middenstand uit zijn jeugd psychologisch doorlicht. Over zijn moeder die voorleest uit Afkes Tiental: `[Ik] zie ons daar rond de snorrende kachel zitten (..)In die knusse sfeer was er geen directe relatie tussen de toen al gedateerde wereld van Afkes Tiental en de arme stegen van Joure, die nog wel degelijk bestonden. Middenstand en strenggelovigen, en zeker strenggelovige middenstanders, kunnen dat heel goed: een strikte scheiding maken tussen de goede bedoelingen en de medemenselijke gevoelens van de zondag en de harde werkelijkheid van door de week. Het hart wel op de goede plaats, maar niet altijd volop in gebruik.'

Het is misschien wel het mooiste deel van het boek, over die lang niet altijd slecht bedoelde, benepen angsten voor de `buitenwereld'. Bang voor tal van zaken, van ontrouwe klanten tot het grootwinkelbedrijf, ontwikkelde de middenstand een `agressief conservatisme, een wereldbeeld dat achterbleef bij hun inkomen'. Zuinigheid, sociale controle, de gulden middenweg, eigenbelang, burgermansfatsoen en het onvermogen te genieten groeiden uit tot de deugden dan wel ondeugden van de naoorlogse middenstand. Met kenmerkende uitdrukkingen als `Wat zullen de anderen daar niet van zeggen?' en: `Dat doe je niet als vrouw alleen.' Hun wereld was klein en hun idealen beperkt: `[Mijn moeder] ging helemaal op in haar winkel. [Mijn vader] zat het liefst in het schuurtje waar hij werkte als amateur-koperslager.'

Van der Meulen heeft een boek geschreven over een wereld waarvan veel huidige dertigplussers ooit een vleugje hebben opgesnoven. Die herkenbaarheid maakt `Anders nog iets? charmant. Wie kent er uit zijn jeugd geen hotel-restaurant waar alle lokale bruiloften en partijen plaatshadden en dat heeft moeten wijken voor een discotheek of een winkelpassage? En welke ouders vertellen hun kind nu nog, zoals Van der Meulen vermeldt, tijdens een wandeling langs het huis van een stadsgenoot, dat deze `zo fout was in de oorlog dat hij een van zijn zonen Anton Adolf Benito heeft genoemd'? De Nederlandse middenstand lijkt gekoppeld aan een vervlogen fase uit de geschiedenis, onlosmakelijk.

Tony van der Meulen: Anders nog iets? De teloorgang van de middenstand. L.J. Veen. blz. ƒ29,90

    • Friederike de Raat