Vraag

Een kleine, bejaarde vrouw stond voor de toonbank van de bakker en rekende af. Het was nog vroeg op de zaterdagmorgen, maar de winkel was toch al goed gevuld met klanten. Verse, warme broodjes, het blijft voor menigeen het beste begin van het weekend.

De vrouw gaf een biljet van 25 gulden aan de verkoopster, een meisje van tegen de twintig. De verkoopster borg het biljet weg in de la van de kassa en gaf enkele munten terug.

De vrouw keek verbaasd naar het geld in haar handpalm. Met haar andere hand zette ze haar boodschappentas weer neer. ,,Ik geef u toch 25 gulden'', zei ze.

De verkoopster keek haar strak aan een blik van pantserglas. ,,Ik dacht 10 gulden'', zei ze.

De bejaarde vrouw schudde gedecideerd haar hoofd, terwijl haar toch al smalle mondje zich vernauwde. ,,Niks hoor, 25 gulden.''

De verkoopster veegde een sliert blond haar van haar voorhoofd. Haar wangen schoten vol bloed. ,,Is dat écht waar?''

Er viel een diepe stilte in de winkel, zó diep dat alle klanten er tegelijk in leken te tuimelen. Alleen het gescharrel van de parkiet in zijn kooi in het gangetje naar de winkel was hoorbaar – hij dacht misschien aan een overval en deed of hij er niet bij hoorde. De vrouw stond enkele seconden met haar magere beentjes aan de grond genageld, voordat ze verder in opstand kwam.

,,Ja, natuurlijk is dat echt waar'', zei ze. ,,Ik zeg dat niet zomaar. Ik kom hier al jaren als klant.''

Trots en waardigheid stutten haar verontwaardiging. Ze was laaiend, maar ze hield zich in zalig zijn de beheersten. Een vrouw achter haar deed een halve stap naarvoren en zei tegen de verkoopster: ,,Mevrouw heeft gelijk, ik heb het zelf gezien.''

De verkoopster keek van de een naar de ander en besefte dat de nederlaag onherroepelijk was. Arbitrage door de chef leek geen beloftevolle optie. Was zij immers al niet begonnen met een fout door het biljet op te bergen nog voor ze het wisselgeld had gegeven? Ervaren kassabedienden zullen dit geeuwend beamen.

,,Dan geef ik u van 25 terug'', retireerde ze, en ze voegde de daad bij de belofte.

De vrouw knikte stuurs en zei: ,,Ik vind het heel erg dat u mij niet geloofde.'' Toen keerde ze zich naar de klant die de doorslaggevende interventie had geplaatst: ,,Dank u dat u me hielp.'' Zonder te groeten verliet ze de zaak.

Goddank, we konden met z'n allen eindelijk weer ademhalen in dat bedompte winkeltje. Ik keek naar de verkoopster. Haar wangen waren nog dieprood en haar handen beefden, terwijl ze met neergeslagen ogen de volgende klant aanhoorde. Dat werd geen leuk weekend.

Ik zorgde dat ik met gepast geld betaalde stel je voor – en kauwde nog even na op dit kleine drama. Onbeschofte jeugd, zou de bejaarde vrouw thuis zeggen. En de verkoopster 's avonds tegen haar vriend: mag ik niet eens meer vragen of iets wáár is? Alleen aan mij mag je dat vragen, zou hij misschien zeggen, maar ook niet altijd.