Om het belastingpeil

In de afgelopen tien jaar heeft de PvdA zich ontpopt tot vriend van de Nederlandse belastingbetalers. Sinds 1989 maken de sociaal-democraten als enige grote politieke groepering onafgebroken deel uit van de regering. Toen premier Kok twaalf jaar geleden als schatkistbewaarder aantrad, roomde de fiscus 43 cent van elke in Nederland verdiende gulden af voor de financiering van overheidsuitgaven en sociale uitkeringen. Het afgelopen jaar was dat minder dan 42 cent. `Tax Freedom Day', de eerste dag van het kalenderjaar waarop individuen en ondernemingen gemiddeld voor zichzelf beginnen te verdienen, en niet langer voor de fiscus, valt tegenwoordig vier dagen vroeger, op 3 juni in plaats van op 7 juni. De lastenverlichting die hierachter steekt wijkt opvallend af van de gang van zaken in de meeste andere industrielanden, waar het belastingpeil het afgelopen decennium verder is gestegen. In de vijftien lidstaten van de Europese Unie kroop de lastendruk na 1989 met gemiddeld 2,5 procentpunt omhoog. Dit blijkt uit de half oktober gepubliceerde Revenue Statistics 1965-2000 van de OESO, de in Parijs gevestigde club van dertig hoofdzakelijk rijke industrielanden.

Maar je hebt leugens, grote leugens en statistieken, zoals Mark Twain ooit zei. Bij de ogenschijnlijk afwijkende lastenontwikkeling in Nederland passen enkele ontnuchterende kanttekeningen. Statistici berekenen het belastingpeil door de totale in een jaar geregistreerde opbrengst van belastingen en sociale premies te delen door de waarde van de binnenlandse productie, het bbp. Halverwege de jaren negentig is de berekeningswijze van het bbp herzien. Ingevolge internationale afspraken diende Nederland de waarde van zijn productie voortaan anders te berekenen. Eenmalig bleken we met elkaar opeens vier procent meer te produceren dan altijd was voorgerekend. De belastingopbrengst werd door de herziening van de nationale boekhouding niet geraakt. Doordat het bedrag onder de breukstreep opwaarts werd bijgesteld, zakte de lastenquote opeens met bijna twee procent van het bbp. Met dank aan de statistici verschoof Tax Freedom Day acht dagen naar voren. In andere landen was de statistische correctie van het bbp in het algemeen veel geringer. Hierdoor zakte het lastenpeil elders minder dan bij ons.

Ook bij het bedrag boven de breukstreep – het totaal van belastingen en premies – past een kanttekening. In de loop van de jaren negentig konden de sociale premies mede omlaag doordat delen van de sociale zekerheid zijn geprivatiseerd. De Ziektewet biedt het voorbeeld bij uitstek. Tot 1996 betaalden werkgevers en werknemers premies voor de Ziektewet, een collectieve last. Wanneer werkgevers het loon van hun zieke personeel doorbetaalden, konden zij dit verhalen op het sociale fonds dat de ziektewetpremies beheerde. Nadien zijn werkgevers verplicht het loon van ziek personeel zelf een jaar lang uit de bedrijfskas door te betalen. Er hoeven dus niet langer premies voor de Ziektewet te worden geheven. Hoewel de statistisch gemeten premiedruk door deze operatie met ongeveer anderhalf procent van het bbp is gedaald, zijn de lasten in verband met ziekte van werknemers voor het bedrijfsleven in zijn geheel niet verminderd. Wel zijn de lasten verschoven naar bedrijven met een hoog ziekteverzuim. Vroeger betaalden zij een doorsneepremie en werden via de uniforme ziektewetpremie gesubsidieerd door bedrijven met een lager dan gemiddeld verzuimcijfer. Nu draait elk bedrijf op voor de kosten van zijn eigen zieke werknemers. Deze toepassing van het beginsel `de vervuiler betaalt' is destijds uitdrukkelijk door de wetgever beoogd.

Het belastingpeil is verder gezakt, doordat bepaalde aftrekposten sterk zijn gegroeid (hypotheekrente) en doordat de overheid nieuwe `belastinguitgaven' in het leven heeft geroepen. Dit zijn subsidies en sociale uitkeringen in de vorm van een belastingvermindering. Wie investeert in een film krijgt geen subsidie van staatssecretaris Van der Ploeg van Cultuur, maar creëert een flinke aftrekpost. In beide gevallen ontvangen investeerders evenveel financiële steun ten laste van de schatkist. Het verschil is dat bij de keuze voor fiscale faciliteiten de verschuldigde belasting lager uitvalt, en dus het gemeten belastingpeil. Het laat zich raden of het toegenomen gebruik van belastinguitgaven de relatieve positie van Nederland in internationale statistieken erg vertekent. Ook tal van andere landen hebben de afgelopen jaren namelijk nieuwe belastinguitgaven geïntroduceerd.

Rekening houdend met de opwaardering van het bbp, de privatisering van de Ziektewet en de toegenomen betekenis van aftrekposten en belastinguitgaven is het belastingpeil sinds 1989 vermoedelijk niet werkelijk gedaald, al suggereert de belastingstatistiek van de OESO anders.

Een blik op de ontwerp-verkiezingsprogramma's voor de periode 2003-2006 leert dat uitsluitend de VVD een flinke lastenverlichting belooft. De overige partijen lijken doordrongen van het besef dat belastingen de `prijs van de beschaving' vormen en leggen wat sterker de nadruk op verhoging van de overheidsuitgaven. Daarom een tip voor iedere formateur die straks aankoerst op voortzetting van de paarse combine: zet een regeerakkoord in elkaar dat wemelt van de nieuwe belastinguitgaven. Dan kan de VVD wijzen op een dalend lastenpeil, terwijl de PvdA kan bogen op hogere overheidsuitgaven.

    • Flip de Kam