Historicus mag niet verworden tot politieke klusjesman

De academische geschiedschrijving in Nederland heeft een akelig gouvernementeel imago aangenomen. Dat is slecht voor de geschiedschrijving en slecht voor het openbare debat, vinden André Gerrits en Ido de Haan.

Nederlandse historici boeren goed de laatste tijd. Steeds vaker doet de overheid een beroep op hen om hun licht te laten schijnen over actuele, netelige kwesties. Onlangs verschenen de eerste delen van het onderzoek naar de terugkeer en opvang van oorlogsslachtoffers en volgend voorjaar komt het NIOD met het langverwachte Srebrenica-rapport. Nederlandse historici zijn het er snel over eens dat politiek en geschiedenis maar beter uit elkaar kunnen worden gehouden, maar voor geschiedenis in opdracht van de politiek wordt kennelijk graag een uitzondering gemaakt. Anders dan in de gamma- en bètawetenschappen wordt er in de historische wereld echter nauwelijks stilgestaan bij de voor- en nadelen van onderzoek-in-opdracht. Hoe zit het met de wetenschappelijke onafhankelijkheid? Welke beperkingen worden er aan dergelijk onderzoek gesteld, en door wie? Wie heeft er baat bij, en wat is het wetenschappelijke en politieke belang van onderzoek-in-opdracht?

Er is veel historisch onderzoek in dienst van de overheid uitgevoerd. Commissies onder leiding van Van Kemenade, Kordes, Scholten en anderen namen de behandeling van financiële claims na de Tweede Wereldoorlog onder de loep. De Amsterdamse hoogleraar Baud deed studie naar het Argentinië van Zorreguieta. Vorig jaar stelde de regering 3,5 miljoen beschikbaar voor onderzoek naar de vervolging van homoseksuelen tijdens de Tweede Wereldoorlog en vergelijkbare bedragen zijn genoemd voor studie naar de dekolonisatie en voor een leerstoel holocaust- en genocidestudies. De historicus fungeert steeds vaker als politiek klusjesman. Soms is hij rechter, soms moralist en dikwijls is hij bliksemafleider. In vrijwel alle gevallen verschaft dergelijk onderzoek in opdracht van de overheid de geschiedkundige de financiële middelen, de bekendheid en soms zelfs de politieke invloed.

In de bèta- en gammawetenschappen, waar onderzoek in opdracht van de overheid aan de orde van de dag is, is flink wat discussie gevoerd over de verwevenheid van wetenschap en politiek, van kennis en macht. We verwijten de Nederlandse historici niet dat ze ook dergelijk onderzoek verrichten; we menen echter wel dat er meer debat gewenst is over de mogelijke bezwaren van de huidige praktijk. Historici en zij niet alleen zouden zich kunnen afvragen waarom de overheid zo vaak opdracht tot historisch onderzoek geeft. Dikwijls komen dergelijke verzoeken na hoogoplopend politiek debat en ze zullen derhalve vooral tot doel hebben controversiële kwesties te neutraliseren. Soms kreeg de historicus de taak snel te werk te gaan, om zodoende een einde te maken aan ongewenste speculatie (zoals in het geval van het onderzoek naar Claus van Amsberg of naar de familie Zorreguieta). In andere gevallen mochten de onderzoekers juist grondig en vooral heel lang graven, in de hoop dat daarmee het probleem vanzelf zou verdwijnen (de affaire-Menten springt in het oog, het recente onderzoek naar de terugkeer en opvang van oorlogsslachtoffers en natuurlijk het Srebrenica-rapport). Lang- of kortlopend onderzoek – in alle gevallen geldt dat het tempo en daarmee de onderzoeksagenda niet door wetenschappelijke maar door politieke overwegingen wordt bepaald.

De historicus zal ook onder druk staan om aan zijn onderzoek een educatieve waarde te geven. De geschiedenis die hij schrijft moet een les voor het heden bevatten, anders heeft het sowieso geen zin om hem de opdracht te verlenen. Tegelijkertijd moet de geschiedschrijver juist zuinig omspringen met zijn eigen visie. Zo ondervond L. de Jong de beperkingen van zijn vrijheid als onderzoeker toen hij Aantjes aan de schandpaal nagelde.

Nederlandse onderzoekers kan nauwelijks worden verweten worden dat ze de overheid hun diensten aanbieden. Er zijn veel goede historici en weinig interessante banen. De universiteiten vergrijzen. Bezuinigingen en teruglopende studentenaantallen frustreren de instroom van jonge medewerkers. Het is bovendien steeds moeilijker binnen te komen bij de belangrijkste financier van wetenschappelijk onderzoek in ons land: NWO. De Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek neemt individuele projectvoorstellen niet eens meer in behandeling. Toch bieden universiteiten en NWO de structuur waarbinnen onderzoeksvoorstellen systematisch op hun wetenschappelijke merites worden beoordeeld. Dat ontbreekt grotendeels bij direct door de overheid gefinancierde onderzoeken.

Dat betekent niet dat onderzoek-in-opdracht per se wetenschappelijk onverantwoord zou zijn. Misschien is het tegendeel wel waar: de financiële middelen waarover kan worden beschikt zijn per slot van rekening vaak aanzienlijk ruimer dan in het geval van regulier academisch onderzoek. Bovendien waken wetenschappelijke commissies dikwijls over de kwaliteit van het onderzoek-in-opdracht en vaak worden er vooraf garanties gevraagd over inzage in materiaal en publicatie van de resultaten.

Soms gaat het mis. Bij onderzoek naar de Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten zijn onafhankelijke onderzoekers dikwijls op een dichte deur gestoten, terwijl een door de minister van Binnenlandse Zaken zelf aangestelde onderzoeker, nota bene een medewerker van de BVD, voor zover bekend wel alle medewerking werd verleend. Hij promoveerde zelfs op zijn onderzoek. Onder de strikte belofte van geheimhouding doken vervolgens enkele hoogleraren van de Universiteit van Amsterdam, leden van de promotiecommissie, alsnog in het BVD-archief, op zoek naar de bronverwijzingen van de kandidaat. Over het principieel openbare karakter van de verdediging van een dissertatie werd even niet te moeilijk gedaan. Een vergelijkbaar incident deed zich onlangs voor. De Leidse historicus Van Oostindië had in zijn onderzoek naar de relaties met de Nederlandse Antillen en de dekolonisatie van Suriname volgens de regering iets te royaal uit de notulen van de ministerraad geciteerd – de tekst werd herzien.

Even kwalijk zijn de grote bedragen die worden besteed aan onderzoek dat wellicht politiek opportuun is, maar dat vanuit wetenschappelijk oogpunt soms aanzienlijk minder urgent is. Wie zou er geïnteresseerd zijn geweest in de carrière van een tweederangs Argentijnse politicus als de Nederlandse troonopvolger niet toevallig verliefd was geworden op diens dochter? Het is nu vrijwel onmogelijk om nog onderzoeksprojecten gehonoreerd te krijgen als er geen uitdrukkelijke internationale component in zit. Het meeste onderzoek-in-opdracht echter is zo provinciaals als het maar kan zijn – een soort historische navelstaarderij, die door iedere NWO-commissie van tafel zou worden geveegd. Prachtige voorstellen van goede onderzoekers sneuvelen, simpelweg omdat de middelen te beperkt zijn, terwijl de overheid miljoenen uitgeeft aan historisch onderzoek met een hoge politieke, maar bedenkelijke wetenschappelijke urgentie.

Historici hebben zich lange tijd verzet tegen de eis dat hun activiteiten maatschappelijk relevant zouden moeten zijn. Hart voor de wetenschap, daar ging het om: lang leve het vrije onderzoek! Hoe verhouden dergelijke argumenten zich met de nieuwe dienstbaarheid van de historicus? De grote bereidheid onderzoek in opdracht van de staat te doen valt eens te meer op, als we ons bedenken hoe zeer historici afwezig zijn in het publieke of politieke debat in Nederland. De geschiedwetenschappers die zich wel tot publieke stellingnames laten verleiden, zijn op de vingers van twee handen te tellen. Het zijn er maar een paar, zeker in vergelijking met de vele tientallen historici die in de afgelopen jaren geschiedenis in opdracht van de overheid schreven. Voelt de Nederlandse historicus zich niet eerder een ambtenaar dan een intellectueel? In dat geval laat hij een belangrijk terrein braakliggen.

André W.M. Gerrits en Ido de Haan zijn historici en verbonden aan de Universiteit van Amsterdam.