Geduld donoren met hervorming Indonesië raakt op

Het geduld van geldschieters als de Wereldbank raakt op. Indonesië heeft nieuw geld nodig om zijn enorme economische problemen op te lossen, maar noodzakelijke programma's als het verkopen van staatsbedrijven stuiten op blokkades.

,,We leven opnieuw in gevaarlijke tijden'', schreef het Indonesische ochtendblad Kompas gisteren in een hoofdartikel. Het blad verwees naar het midden van de jaren zestig, toen het land langs de rand van de politieke en economische afgrond liep en president Soekarno zei `gevaarlijk leven' als een deugd te beschouwen. Soekarno voegde de Amerikanen toe: ,,Go to hell with your aid'', terwijl zijn volk honger leed.

Soekarno's dochter Megawati, sinds juli president, heeft niet de romantische doodsverachting van haar vader, maar mist diens daadkracht. En de `politieke elite' van Indonesië is bereid het schip van staat tot zinken te brengen met gevechten om een eersteklashut. Zij torpedeert de broodnodige privatisering van staatsbedrijven om uit deze ruif te kunnen blijven eten.

In haar rede voor de jaarlijkse zitting van het Volkscongres, vorige week, bekende Megawati ,,weinig goed nieuws'' te hebben en ze waarschuwde dat het land zware tijden tegemoet gaat. De buitenlandse schuld van meer dan 140 miljard dollar is intussen even groot als het bruto binnenlands product. Economisch herstel staat hoog op Megawati's prioriteitenlijst, maar de internationale conjunctuur zit tegen en vereiste maatregelen lopen vast in binnenlandse belangenstrijd. Het bij haar aantreden toegenomen vertrouwen is na 11 september, door een aanvankelijke aarzeling op te treden tegen anti-Amerikaanse erupties, verdampt en door de `WTC-recessie' zijn de marges voor herstel nog smaller geworden.

Dezer dagen vergaderen de 33 donoren verenigd in de Raadgevende Groep voor Indonesië (CGI) onder leiding van de Wereldbank in Jakarta. Gezien de acute begrotingsproblemen, gevolg van een zwakke roepia, tegenvallende belastinginkomsten en zware aflossingsverplichtingen, vraagt Indonesië nieuwe kredieten ter waarde van 3,3 miljard dollar om het begrotingstekort van 2001 te helpen dichten en het deficit in 2002 binnen de 2,5 procent te houden.

Het Internationale Monetaire Fonds, dat Indonesië na de monetaire crisis van 1997 te hulp snelde en intussen is veroordeeld tot voortgaande samenwerking, heeft positief geadviseerd. Japan, Indonesië's grootste geldschieter, en de Aziatische Ontwikkelingsbank (ADB) hebben verklaard dat zij in deze moeilijke tijden niet zullen afhaken en met respectievelijk 1,4 en 1,2 miljard dollar over de brug zullen komen. Maar het geduld van de donoren raakt op.

De voorzitter van de donorengroep CGI, vice-president van de Wereldbank Jemaluddin Kassum, waarschuwde gisteren dat de regering zes maanden de tijd heeft om met concrete hervormingen het internationale vertrouwen te herwinnen. Over zes maanden komt de CGI opnieuw bijeen om de geboekte vooruitgang te beoordelen. ,,Dan'', zei Kassum, ,,moeten de leiders van Indonesië het macro-economisch evenwicht hebben hersteld, vaart hebben gebracht in het hervormingsprogramma en beslissende stappen hebben gezet om de armoede te bestrijden.''

Bovenop de niet geringe binnenlandse risico's – politieke instabiliteit, corruptie – is, aldus de CGI-voorzitter, ,,voor het eerst sinds het uitbreken van de crisis een nieuwe laag gelegd van even gevaarlijk extern risico''. Hij doelde op de `WTC-recessie' en de daardoor slinkende afzetmogelijkheden op, onder meer, de Amerikaanse markt. De laatste twee jaar kon de Indonesische economie groeien dankzij binnenlandse bestedingen en de door een zwakke roepia groeiende export. Kassum onthulde dat intussen 60 procent van de 203 miljoen Indonesiërs onder de armoedegrens leeft. In 1996 was dat nog 15 procent.

Dat de begroting van 2001 niet wordt gehaald, ligt niet alleen aan het 11 september-effect, maar ook aan wat Kassum `gebrek aan hervormingsijver' noemt. De regering-Megawati nam zich in augustus voor om nog dit jaar staatsbedrijven te privatiseren voor een bedrag van 6,5 triljoen roepia (1,6 miljard gulden). Tot nu toe heeft dit programma nog geen roepia opgeleverd en een buitenkans om met één transactie bijna het hele streefbedrag te halen, dreigt verloren te gaan in een krachtmeting tussen landelijke en provinciale politici.

In 1995 nam het Mexicaanse Cemex, een wereldwijde producent van cement en bouwspecie, een aandeel van 25,53 procent in het Indonesische staatsbedrijf NV Semen Gresik (PTSG). Cemex redde de noodlijdende onderneming en verwierf een optie om na zes jaar het meerderheidsaandeel (51 procent) van de Indonesische staat over te nemen. Dit jaar bereikte de regering in Jakarta een principeakkoord met Cemex: de staat zou zijn meerderheidsbelang in PTSG voor zo'n 530 miljoen dollar – 80 procent van de voor 2001 begrote inkomsten uit privatisering – overdoen aan de Mexicaanse partner.

PTSG bestaat uit cementfabrieken in Oost-Java (Semen Gresik), in Zuid-Sulawesi (Semen Tonasa) en in West-Sumatra (Semen Padang). Sinds 1998, toen potentaat Soeharto aftrad, is Jakarta, onder druk van ernstige grieven in de `buitengewesten', overgegaan tot versnelde decentralisering van bestuur. Door dat proces is het aantal graaiende handen in overheidsburelen exponentieel toegenomen. De provinciale regering van West-Sumatra eist al enige tijd dat Semen Padang wordt afgescheiden van moeder PTSG. Op 1 november vaardigde het provinciale parlement in Padang, ondersteund door de raad van bestuur van Semen Padang en een breed front van provinciale notabelen, een `proclamatie' uit waarin staat dat de cementfabriek ,,is overgenomen door het volk van West-Sumatra en wordt toevertrouwd aan de gouverneur'', een illegale daad.

Management en provinciale politici hebben zich nooit veel gelegen laten liggen aan de aandeelhouders van Semen Padang – de fabriek leed vorig jaar een verlies van 46 miljard roepia (12 miljoen gulden) – en beschouwen hem louter als een melkkoe. Cemex heeft de regering tot 14 december de tijd gegeven om de transactie af te ronden, maar de regering liet gisteren aan de CGI weten daar een hard hoofd in te hebben. De Wereldbank beschouwt afgelasting van de verkoop als ,,een vernietigende slag voor het privatiseringsprogramma en voor het toch al geringe vertrouwen bij buitenlandse investeerders.''