Branche vreest voor toekomst uitzendwerk na wetsvoorstel

Uitzendarbeid heeft in Nederland ,,geen toekomst meer'' als het wetsvoorstel voor gelijke behandeling van werknemers met een vast en een tijdelijk contract, dat binnenkort in de Tweede Kamer wordt besproken, gehandhaafd wordt. Dat stelt uitzendkoepel ABU in een memo aan minister Vermeend. De zorg wordt gedeeld door de Raad van de Centrale Ondernemingsorganisaties (RCO), waarin VNO-NCW, MKB-Nederland en LTO-Nederland zijn verenigd.

Het voorstel stond voor vandaag op de agenda van de Tweede Kamer, maar is op verzoek van enkele Kamerleden uitgesteld. Zij waren pas laat geïnformeerd over het voorstel, doordat het niet door het ministerie van Sociale Zaken maar door het ministerie van Justitie wordt behandeld.

Het uitstel werd aangevraagd naar aanleiding van de bezwaren van de RCO. De raad schrijft in een brief aan de vaste Kamercommissie voor Justitie, die dit tot dusverre heeft behandeld, dat het wetsvoorstel de CAO voor uitzendkrachten ,,op losse schroeven zet''.

Het betreffende wetsvoorstel is de uitwerking van een Europese richtlijn, die bepaalt dat een werkgever geen verschil mag maken in arbeidsvoorwaarden tussen werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd en werknemers met een contract voor onbepaalde tijd, tenzij daar objectieve criteria voor bestaan. In de Europese richtlijn wordt een uitzondering gemaakt voor alle uitzendkrachten. Die uitzondering is in het Nederlandse wetsvoorstel niet overgenomen.

De ministeries van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Justitie willen die beslissing niet motiveren zolang het wetsvoorstel nog in de Tweede Kamer wordt behandeld. Volgens Haagse bronnen binnen Justitie die anoniem willen blijven, wil de wetgever uitzendkrachten niet discrimineren ten opzichte van vaste werknemers. Wel is een uitzondering mogelijk als de werkgever dat goed kan motiveren.

Volgens de ABU ,,ondergraaft [het wetsvoorstel] het wezen van de wet Flexibiliteit en Zekerheid'', zo staat in het memo aan Vermeend. De wet is 1 januari 1999 ingevoerd en wordt in december van dit jaar geëvalueerd. Dat levert volgens de ABU ,,een onuitvoerbare situatie op'', omdat er binnen de uitzendbranche veel verschillende arbeidsovereenkomsten bestaan. Bovendien zijn uitzendkrachten formeel in dienst van het uitzendbureau, maar werken ze bij een inlenend bedrijf.

Deze diversiteit zou volgens de uitzendkoepel kunnen leiden tot ,,onoverzienbare aantallen procedures'' van uitzendkrachten over zaken als beloning, secundaire arbeidsvoorwaarden, pensioenen en verzuimafspraken.

    • Mariël Croon