Verheven vormgegeven trivialiteiten

Hoe ver reikt de vrijheid van de kunstenaar? Ver. Nog onlangs verklaarde de componist Karlheinz Stockhausen de aanslagen op het WTC in New York tot `het grootste kunstwerk dat er is voor de hele kosmos'. Stockhausen zou zo opgenomen kunnen worden in de portrettengalerij van denkers en kunstenaars van Mike Kelley. Onder hen Plato: `Groot kwaad komt voort uit een volheid van karakter' en Rimbaud: `Ik begrijp geen wetten. Ik heb geen moreel gevoel. Ik ben een bruut'. Kelley houdt ons met deze installatie een spiegel voor van de doorgaans onuitgesproken, maar algemeen aanvaarde opvatting dat hoe groter beest de kunstenaar is, hoe groter zijn geest. Kelley wijst erop hoe naïef het is om de esthetica van wetteloosheid en geweld te verwarren met de werkelijkheid.

Kelley's werk, getiteld Pay for your Pleasure, is het hart van de tentoonstelling Eye Infection, samengesteld door gastconservator en verzamelaar Christiaan Braun.

Eye Infection toont kunst die voortkomt uit een fascinatie voor extremen in het menselijke gedrag. Overdrijving is hier nauwelijks mogelijk. Het gruwelijke oorlogsgeweld in de tekeningen van H.C. Westermann is dagelijkse realiteit, en wie herkent niet de neurotische vervreemding van de portretten van Nutt of de wellust in Crumbs seksuele fantasieën?

Het is zoals Philip Roth schrijft in zijn roman The Human Stain: `Onzuiverheid, wreedheid, misbruik, misstappen, faecaliën, zaad er is geen andere manier om te zijn. Het heeft niets te maken met ongehoorzaamheid. Niets met genade of redding of verlossing. Het zit in iedereen. Wij zijn onvermijdelijk bevlekte wezens.'

De vijf Amerikaanse kunstenaars maken deel uit van de traditie van het groteske, beginnend bij de Romeinse oudheid, via Renaissance, barok en rococo, naar het surrealisme in de twintigste eeuw. Het groteske is het op niet-harmoniërende, subversieve wijze samenbrengen van het verhevene en het triviale.

Trivialiteit is overvloedig aanwezig op Eye Infection. Het werk van Crumb, Nutt en Kelley, en in mindere mate Westermann, is dubbelzinnig: het lijkt erop dat het triviale in hun werk, namelijk de vervormingen en overdrijvingen, voorkomt uit kwaadaardigheid of uit een verlangen naar destructie. Maar het triviale ontleent bij hen juist zijn zeggingskracht aan het feit dat het op een zeer precieze, `verheven', wijze wordt verbeeld, in een intelligente uiteenzetting met de conventies van high art.

Robert Crumb (1943) is hier de allergrootste. Zijn werk is zó goed dat het een volkomen eigen categorie vormt. Crumbs tekeningen zijn verhalend, en `verhalend' is wel een van de grootste vloeken in de moderne kunst; maar bij Crumb bestaat een zeldzame balans tussen verhaal en vorm, en tussen woord en beeld.

Dit bereikt hij door een stijl die, in tegenstelling tot wat je van een underground-striptekenaar zou verwachten, overwogen en klassiek is, met arceringen, een ritmische lijnvoering en een groot gevoel voor compositie. Crumb hanteert deze anachronistische werkwijze, als ook de beperking tot het kleine formaat, als een strategie om frictie op te roepen en niet te vervallen in een gladde, aan pop art ontleende commerciële tekenstijl. Dit is precies waar de schilder Peter Saul faalt. Hij begon, zoals in het Stedelijk is te zien, zeer veelbelovend als popschilder nog voordat pop uitgevonden was, om in de jaren zeventig over te stappen op een kleurrijke, psychedelische Walt Disney-stijl waarin iedere urgentie wordt gesmoord.

Een groot feest zijn de tekeningen en schilderijen van Jim Nutt (1938). Ogenschijnlijk is het werk van Nutt zeer ingehouden van karakter. Maar in zijn radicale, absurde beperking tot het gezicht van een vrouw met een tante Sidonia-kapsel en een monsterlijke, lepra-achtige neus, gevat in een krankzinnige kitsch-lijst, is hij juist keihard.

De tekeningen zijn onovertroffen in hun raffinement. Nutt balanceert op het scherpst van de snede tussen abstracte decoratie en afbeelding. Zijn techniek heeft zich gaandeweg verfijnd. De laatste schilderijen zijn een Jan van Eyck waardig, met subtiele kleurnuances en een bijna mystiek licht in de verf; de laatste tekeningen kunnen zich meten met Ellsworth Kelly en Ingres. Deze klassieke erfenis, gecombineerd met Nutts zwarte humor en zijn parodiëring van de schilderkunst, maken zijn werk zeer bijzonder.

Eye Infection is een prachtige tentoonstelling met een bijzondere thematische samenhang. Natuurlijk blijft er altijd iets te verlangen over. Van de oudmarinier H.C. Westermann had ik meer sculpturen willen zien, in plaats van de enorme veelheid tekeningen-met-tekst. Maar vooral had ik schilderijen van Philip Guston willen vergelijken met Crumb, die Guston (en vele anderen) diepgaand beïnvloed heeft.

Tenslotte: Eye Infection wordt nu gepresenteerd als een typisch Anerikaans fenomeen. Maar wat zou het mooi geweest zijn als er een zaal was geweest met werk van Europese tegenhangers als Lucebert, Dubuffet, Immendorf alles, net als Guston, voorhanden in de collectie van het Stedelijk.

Tentoonstelling: Eye Infection. H.C.Westermann, Robert Crumb, Peter Saul, Jim Nutt en Mike Kelley in het Stedelijk Museum, Amsterdam. Tot 20 januari 2002. Dag. 11-17 uur. Catalogus, 208 blz. ƒ 85,-.