De `vadsige fietser' slaat weer toe

Vijf jaar was hij `verdwenen'. De blanke, blonde man van rond de 30 jaar, die in Utrecht en omgeving zes vrouwen verkrachtte in 1995 en 1996. Nu lijkt hij terug te zijn.

Op woensdag 9 augustus 1995, 's avonds na tienen, slaat hij voor het eerst toe. Een blanke, blonde tot donkerblonde man tussen de 25 en 35 jaar met een stevig postuur en een bol, rond, verzorgd gezicht. Hij rijdt op een mountainbike over universiteitscampus De Uithof en grijpt een alleenfietsende studente van achteren vast. Met een licht Utrechts accent waarschuwt hij haar niet om te kijken. Hij trekt haar van haar fiets en verkracht haar.

In mei dit jaar sprak de Utrechtse politie voor het eerst tot in details over de misdrijven en over de verdachte die in de loop van de tijd de Utrechtse serieverkrachter was gaan heten. Dat deed recherche op de dag dat zij het onderzoek afsloten. Omdat ze geen hoop meer had de dader te kunnen achterhalen. Nu is het onderzoek heropend: hij zou, na een `pauze' van vijf jaar, weer hebben toegeslagen.

De Uithof was gisteravond, zoals meestal, uitgestorven. De brede Heidelberglaan, waaraan veel universiteitsgebouwen liggen, is niet toegankelijk voor auto's, alleen voor bussen. Om kwart voor zes zijn de laatste peuters van kinderdagverblijf De Kikker opgehaald. De fietsers die er nog rijden, zijn deeltijdstudenten, bewoners van de studentenflats of bezoekers van het universitair sporthal Olympos.

In de twee maanden na de eerste verkrachting heeft de `vadsige fietser' nog elf keer toegeslagen, vooral op De Uithof. Vijf vrouwen verkracht, zes aangerand, allemaal tussen de 15 en 28 jaar. Steeds op dezelfde manier, soms op een andere fiets.

Hij bedreigt zijn slachtoffers met een hobbymes. Omdat de zedenmisdrijven volgens eenzelfde stramien worden gepleegd, spreekt de politie van een serieverkrachter. Er wordt een recherchebijstandsteam van 35 man op de zaak gezet. Vanaf 26 september beschermen 170 leden van de Mobiele Eenheid het gebied. Zij delen flyers uit met het advies niet alleen te lopen of te fietsen door het groene gebied tussen Utrecht, Groenekan, Zeist, De Bilt en Bunnik. Vrouwelijke agenten in burger wandelen of fietsen door het gebied, een politiehelicopter wordt ingezet. De straatverlichting wordt verbeterd, struiken weggehaald. Bedrijven in Rijnsweerd passen hun werktijden aan en zetten pendelbussen in.

Maar de verkrachter bleef opduiken. Steeds vroeger op de avond en steeds brutaler. Op 3 oktober belaagde hij een vrouw in De Bilt, op 27 november dwong hij in Bosch en Duin een fietsende vrouw te stoppen. Ze sloeg hem in het gezicht en hij vluchtte. Op 2 december trok hij een vrouw de bosjes in op het Deltapad in Den Dolder, om half acht 's avonds. Ze gilde, hij fietste weg. Omdat de aanranding in de buurt van Dennendal en de Willem Arntszhoeve plaats vond, hield de politie er rekening mee dat de verkrachter patiënt was van een psychiatrische inrichting.

Gedragsdeskundigen maakten een daderprofiel. Hij zou een `controleverkrachter' zijn, die anders dan `haatverkrachters' niet als potentiële moordenaar wordt beschouwd. Hij wil controle over de vrouwen die hij overmeestert. Hij handelt niet uit woede, maar uit machtswellust. De Utrechtse serieverkrachter zou sociaal geïsoleerd zijn, weinig sociale contacten bezitten, alleen of bij zijn ouders wonen en teleurgesteld zijn in het leven. Hij heeft een laag zelfbeeld en seksualiseert zijn onvrede, zo typeerde de leider van het recherchebijstandsteam hem in mei dit jaar.

Tot 20 februari 1996 blijft de `vadsige fietser' actief ten noordoosten van Utrecht. Zes verkrachtingen en twaalf pogingen daartoe. Dan ineens is hij weg. Vijf jaar lang. De Utrechtse politie raakt het spoor, ondanks 11.000 tips en 1.750 mannen als mogelijke dader, bijster. Nog steeds staat er een beloning van 25 duizend gulden op de gouden tip. De zaak van de Utrechtse serieverkrachter is de eerste zaak die de discussie aanzwengelde over de oprichting van een DNA-databank.

Het openbaar ministerie gaf het Nederlands Forensisch Instituut in het najaar van 1998 opdracht de DNA-sporen van de dader – die werden aangetroffen bij vier slachtoffers – te vergelijken met de profielen in de landelijke DNA-databank. Het leverde geen hits op. In 1999 werden 119 mannen benaderd die eerder betrokken waren in zedenzaken, in de regio woonden of waren gesignaleerd in het gebied waar de zedendelicten waren gepleegd. Twee personen weigerden mee te werken. Van de vier aanvankelijk verdachten bleef er geen een over.