De staat als redder

Een depressie als in de jaren dertig komt nooit meer terug. Dat verzekeren de economen van alle scholen en richtingen, telkens als het woord recessie valt. We kunnen ons zorgen maken over een zeepbel of een flinke teruggang, maar in deze tijd beschikken we over bepaalde mechanismen die een of ander bijtijds corrigeren. Dat moet dan telkens opnieuw bewezen worden. Intussen ontstaat een ander probleem dat niet meer louter economisch maar aan politieke betekenis wint naarmate de neergang langer duurt. In hun onzekerheid en angst gaan de mensen radicaler denken en na verloop van tijd ook handelen.

Het schrikbeeld is dat van de grote beurskrach in 1929 en de depressie van de jaren dertig. Ik beweer niet dat ons nu weer zoiets boven het hoofd hangt en dat in de coulissen een `nieuwe Hitler' op zijn kans wacht. Ook wil ik niet zeggen dat het westen van zeventig jaar geleden zoveel gelijkenis met dat van nu vertoont. Het gaat om de vraag of er nu voorwaarden tot politieke radicalisering zijn en hoe we ons onder deze omstandigheden zo'n ontwikkeling kunnen voorstellen.

Na de uitzinnige groei van de mondiale economie tussen 1995 en 2000 (met de geringe onderbreking door de Zuidoost- Azië-crisis in 1997), werd het ongeveer een jaar geleden duidelijk dat de zeepbel weer te ver was opgeblazen. De internet-hype ontmaskerde zichzelf, er vielen slachtoffers. Dat werd nog beschouwd als een `gezonde aanpassing'. Daarna was het weer tijd om de groei te stimuleren. Maar de enorme belastingverlaging en een reeks renteverlagingen in de Verenigde Staten hadden geen duidelijk resultaat. De consumenten deden niet wat van de consument verwacht wordt, en al vóór de elfde september was het gevreesde woord menigmaal gevallen. Recessie.

Toen kwam de aanval. Twee maanden later kunnen we een paar duurzamer gevolgen onderscheiden. De oorlog zoals die met bombardementen in Afghanistan wordt gevoerd, zet bij gebrek aan snelle resultaten de coalitie onder druk. Regeringsleiders in het westen hebben er een probleem bij. Hoe overtuigen ze een publieke opinie die zich iedere dag dieper splitst, ervan dat met deze luchtoorlog de juiste strategie wordt gevoerd, waarbij alle collateral damage dan maar voor lief moet worden genomen? De thuisfronten in het westen lijden onder erosie. En mogelijk veel ernstiger is het met de bevriende leiders in moslimlanden gesteld, vooral Pakistan en Saoedi-Arabië.

Daarbij komt het mysterie van de miltvuur-terreur met de golf van publiciteit waarin ook de vraag opkomt welke besmettelijke ziekten de onvindbare aanvallers verder op ons kunnen uitproberen. Zo wordt de publieke opinie in het westen beproefd met bedreigingen van een kaliber als na het einde van de Koude Oorlog niet meer is voorgekomen. Van de euforie is het westen binnen driekwart jaar terechtgekomen in een werkelijkheid die men alleen nog virtueel of van de televisie kende. Hier heerst een stemming van onzekerheid, mismoedigheid, ongeloof en achterdocht.

Dit grote publiek van miljoenen moet nu het begin van een recessie incasseren met niets anders dan het perspectief van een voortgezette teruggang. De Amerikaanse economie zal dit jaar misschien met één procent groeien, het laagste cijfer in twintig jaar. De meeste Europese economieën doen het niet veel beter. De internationale handel en investeringen lopen in een hoog tempo terug en dreigen te verschrompelen. Massa-ontslagen en faillissementen zijn dagelijks nieuws. Daardoor gaat de consumptie verder achteruit. Een van de effecten is dat de belastingopbrengst daalt. Door de mondialisering zijn de nationale economieën met elkaar vergroeid geraakt. Teruggang is nog besmettelijker geworden. Zo komt de vicieuze cirkel in zicht van de dan officieel als zodanig erkende recessie. Op een internationale conferentie, vorige week in Genève, georganiseerd door de ILO en de International Herald Tribune, worden de bekende aspirientjes voorgeschreven: renteverlaging, steun aan werklozen, verlaging van de tarieven. In Qatar zal de Wereld Handelsorganisatie deze week tot conclusies komen die daar sterk op lijken. Zal het helpen? Wanneer?

Uit dit alles volgt de politieke speculatie. Wat kunnen we bij een gestage economische teruggang – het hoeft nog geen ineenstorting of een krach te zijn – verwachten van een samenleving die zich, zeker in de afgelopen tien jaar, snel heeft gedepolitiseerd? Of nog verder: van een samenleving die zichzelf heeft ontbonden en is veranderd in een massa van `geïndividualiseerde' consumenten die zich voornamelijk ten doel hebben gesteld het onderste uit de kan te halen?

In deze tijd wordt overal in het westen `de' politiek gewantrouwd, zoals aan de opkomst bij de verkiezingen te zien is. Ten dele heeft het politieke beroep dat aan zichzelf te danken. Verder wordt in een maatschappij waar het primaat van de economie heerst, de politiek als een macht van de tweede orde beschouwd. Men hoort daar tot economische organisaties, voorzover men geen eenling is die zichzelf met succes handhaaft. Dat verandert. Juist de economische organisaties worden aangetast. Grote, een half jaar geleden nog onkwetsbaar geachte, ondernemingen wankelen of verdwijnen, terwijl de eenling op de arbeidsmarkt zijn waarde verliest.

Duurt deze oorlog, met veel weerzinwekkende beelden en weinig resultaten, voort, terwijl hij zijn negatieve effecten op de wereldeconomie blijft uitoefenen, dan ontstaat daaruit een nieuwe politieke factor: van de massa's die het geloof in hun toekomst verliezen. En bij alle verschillen kan dat dan de overeenkomst met het begin van de jaren dertig zijn. Het verschil is dat die tijd van ideologie doordrenkt was, terwijl nu, politiek gesproken, een materialistisch individualisme de toon zet. `De staat is terug', schreef Francis Fukuyama kort na de elfde september. De staat moet zich erop voorbereiden dat hij veel verder terugkeert. De bodem begint onder het materialistisch individualisme weg te zakken. Als dat verdergaat, dan is de staat het enige instituut dat een stuurloze radicalisering kan voorkomen.