Afghaanse gewonden arm en verbitterd in Pakistan

In een ziekenhuis in de Pakistaanse stad Quetta worden Afghanen verpleegd die de afgelopen weken gewond zijn geraakt bij Amerikaanse bombardementen op onder meer de zuidelijke stad Kandahar.

Verbitterd zit Jan Mahmad naast het met bloedvlekken besmeurde bed van zijn jongere broer Yarana in een ziekenhuis in Quetta, terwijl hij een gebedssnoer door zijn vingers laat rollen. Tien dagen geleden raakte Yarana (22) zwaar gewond bij een Amerikaans bombardement op hun woonplaats Kandahar in het zuiden van Afghanistan.

Yarana's rechterknie is verbrijzeld door bomsplinters en ook verder zit hij onder de wonden. Bij hetzelfde bombardement verloren twee zussen van beide broers het leven. In allerijl leende Jan Mahmad geld voor de reis naar Quetta, want in Kandahar zelf kwam het ziekenhuispersoneel niet meer opdagen nadat eerder in de westelijke stad Herat een hospitaal door Amerikaanse bommen was geraakt.

Yarana had nog geluk dat zijn broer snel aan geld wist te komen en dat hij veilig het Provinciale Sandeman-ziekenhuis in Quetta wist te bereiken. De familie van drie andere gewonden slaagde daarin niet, waardoor die zich gedwongen zagen in Kandahar op betere tijden te wachten, als ze voordien al niet aan hun verwondingen zouden zijn bezweken.

,,We begrijpen volstrekt niet waarom de Amerikanen Afghaanse burgers bombarderen'', aldus Jan Mahmad, van beroep aardappelventer. ,,Ons huis stond helemaal niet in de buurt van een militaire installatie van de Talibaan. Voor 11 september hadden wij niets tegen de Amerikanen, maar nu haten we hen.''

Geen van de patiënten of hun familieleden wil intussen een kwaad woord horen over de Talibaan. Die zijn helemaal niet zo kwaad, menen zij, wat bijvoorbeeld blijkt uit het feit dat ze wegens de rampzalige droogte afzagen van het heffen van belastingen. ,,Daardoor konden we onze schamele inkomsten tenminste aan eten en andere noodzakelijke dingen besteden'', zegt een oude man.

Het smoezelige ziekenhuiszaaltje telt acht bedden. Sinds gisteren is er weer een extra plaats beschikbaar doordat de 30-jarige Yakhmatullah aan zijn verwondingen overleed.

In het volgende bed ligt de tienjarige Abdul Wassey. Bijna drie weken geleden was hij buiten aan het spelen, toen Amerikaanse vliegtuigen naderden en er een bom viel. Een van zijn benen was gebroken. Acht dagen lang moest hij, hevige pijn verdurend, wachten tot zijn familie het veilig genoeg oordeelde om te reizen, zegt een iets oudere broer, die aan het bed van Abdul waakt. Inmiddels is hij al tien dagen in Quetta. Fel zegt Abdul: ,,Wanneer ik weer beter ben, wil ik meevechten tegen de Amerikanen.'' Meewarig glimlachen de mannen in de zaal.

Een Oezbeekse man, Fair Mohammed (30), ligt nog aan een infuus. Hij liep ernstige verbrandingen op in de provincie Helmand, ten westen van Kandahar, als gevolg van een bom. Hij werkte daar, in de buurt van een post van de Talibaan met drie anderen in een baksteenfabriekje. Hij verloor door de explosie het bewustzijn en kwam pas enkele dagen later in het ziekenhuis in Quetta bij, waar zijn vrienden hem naar toe hadden gebracht.

Niet alle Afghaanse gewonden en zieken in het ziekenhuis van Quetta zijn daar als gevolg van Amerikaanse acties terechtgekomen. Sommigen hebben hier hun toevlucht gezocht omdat de medische hulp in eigen land vrijwel volledig is ingestort. Zo bezocht Wali Jan, een eveneens uit Helmand afkomstige boer, een plaatselijk hospitaal in verband met een operatie van zijn vrouw. Maar daar kreeg hij te horen dat er geen elektriciteit in het ziekenhuis was en dat hij haar beter naar Quetta kon brengen.

Op twee bedden in een andere zaal liggen met huilerige gezichten de elfjarige Sahad Mohammed en zijn zevenjarige zusje Pervin. Sahad mist zijn rechteronderbeen. Dat moest worden geamputeerd nadat hij een week geleden vermoedelijk op een landmijn was gestapt. Zijn zusje, dat naast hem wandelde, liep eveneens zware verwondingen op aan haar armen en elders op haar lichaam. Sahad heeft nog steeds veel pijn, zijn zusje krabt per ongeluk aan een korstje en meteen stroomt het bloed weer uit haar diepe wond. Hun vader, die een handeltje in tweedehands kleren en schoenen heeft, zit er sip bij.

Het treurige voor de gewonden en hun familie is dat ze, nog afgezien van alle pijn en ongemak, tot op de bodem van hun financiële reserves moeten gaan om Quetta te bereiken. Daar aangekomen, staan ze voor nieuwe kosten. Ze moeten namelijk zelf de medicijnen betalen en zakken met bloed en andere benodigdheden voor operaties kopen in de bazaar van Quetta. Bovendien moeten de patiënten en de meegekomen begeleiders zelf ook nog eten en drinken.

Gevraagd of er geen hulporganisaties zijn, die hun in dit opzicht behulpzaam kunnen zijn, antwoorden ze dat ze de weg in Quetta niet kennen en niet weten waar ze zulke weldoeners zouden moeten vinden. Anderen uiten het vermoeden dat er wel ergens fondsen zijn om hen te helpen, maar dat de Pakistaanse autoriteiten die achterhouden.

    • Floris van Straaten