Speelse erudiet

Sir Ernst H. Gombrich (92), die afgelopen zaterdag in Londen is overleden, is een van de productiefste en invloedrijkste kunsthistorici van de twintigste eeuw geweest, en door zijn handboek The Story of Art ook een van de bekendste. Hij hield er een weldadig ouderwetse visie op zijn vakgebied op na. Daarnaar gevraagd verklaarde hij te staan voor niets meer of minder dan `de traditionele beschaving van West-Europa'.

Dat is ook een optimistische visie, want hij wist maar al te goed dat er `ook heel afschuwelijke kanten aan die beschaving zitten'. Gombrich zal ze zeker hebben leren kennen in het Wenen van de jaren '20 en '30, waar hij in 1909 werd geboren en waar hij opgroeide in een geassimileerd joods milieu. Na bij Julius von Schlosser kunstgeschiedenis te hebben gestudeerd, werd hij in 1935 aangesteld bij het Warburg-instituut, een internationaal befaamde cultuurwetenschappelijke bibliotheek die in Hamburg bijeen was gebracht door de steenrijke bankierszoon Aby Warburg. Als joodse stichting was het instituut, na de machtsovername van de nazi's, naar Londen verhuisd. De 26-jarige Gombrich kreeg als taak de publicatie van de nagelaten papieren van Warburg voor te bereiden.

Iets van de speelse eruditie waarvan Gombrich' werk is doordesemd blijkt uit een van de onderhoudende anekdotes die hij vertelt in het boeklange interview dat in 1993 verscheen onder de titel A Lifelong Interest. Toen het Warburg-instituut in Londen om ruimte verlegen zat, werd een verzoek gedaan bij een topambtenaar die ook een expert was op het gebied van de Latijnse poëzie van de middeleeuwen. Op geen enkele brief kwam antwoord, totdat de jonge medewerker Gombrich hem, met een in middeleeuwse stijl geschreven Latijns gedicht, nogmaals op de problemen wees. De ambtenaar reageerde per omgaande – positief – met een gedicht in hetzelfde metrum en rijmschema. In de Tweede Wereldoorlog bleef Gombrich – hoewel een `vijandige vreemdeling' in Engeland – gevrijwaard van detentie, omdat hij in dienst van de BBC Duitse radioberichten beluisterde en vertaalde. Hij ging er prat op degene te zijn geweest die het bericht van Hitlers dood opving en als eerste wereldkundig maakte.

Na de oorlog keerde Gombrich terug bij het Warburg-instituut, waaraan hij de rest van zijn werkzame leven, van 1959 tot 1976 als directeur, verbonden zou blijven. Hij was toen al begonnen aan het kunsthistorische handboek The Story of Art, dat sinds 1950 is verschenen in tientallen edities, herdrukken en vertalingen (in het Nederlands als Eeuwige Schoonheid). De toegankelijkheid ervan is misschien het gevolg van de manier waarop het tot stand kwam: Gombrich dicteerde zijn tekst door simpelweg én uit het hoofd zijn verhaal te vertellen bij een stapel reproducties.

Dit succesvolle boek vormde de opmaat voor wat Gombrich zelf een `curieus dubbelleven' noemde. Het boek maakte de onbekende en onbemiddelde, buitenlandse wetenschapper in één klap tot een beroemd auteur. Paradoxaal genoeg was waardering voor het populaire overzichtswerk juist de reden om hem een prestigieus hoogleraarschap aan de universiteit van Oxford aan te bieden.

In de wetenschappelijke wereld had hij zijn sporen, als docent en onderzoeker, inmiddels al verdiend en zou hij een vooraanstaande rol blijven spelen. Een stroom van publicaties verscheen van Gombrich' hand. Naast The Story of Art, een vierdelige serie studies over de kunst van de Renaissance en een monumentale biografie van Aby Warburg, bundelde hij losse artikelen en lezingen over de meest uiteenlopende onderwerpen en periodes uit de kunstgeschiedenis tot boeken die thema's aansnijden op het gebied van de kunsttheorie, de waarnemingspsychologie en, zoals nog recentelijk in The Uses of Images (1999), de sociale functie van kunst. Steeds weer vallen daarin de onverwachte verbanden op die de auteur legt tussen zijn onderwerp en kunstwerken uit andere periodes of visuele uitingen die doorgaans niet als kunst worden aangemerkt.

Een van de centrale thema's in Gombrich' werk is de afwijzing van kunsthistorische stijlperiodes als het resultaat van een alomtegenwoordige `essentie' van een bepaald tijdvak. Hegels idee van `Zeitgeist' kon volgens hem niet verantwoordelijk zijn voor de veranderingen in stijl tussen, bijvoorbeeld, de gotiek en de Renaissance. Gombrich zocht de verklaring meer in de ontwikkeling van technische mogelijkheden die de kunstenaar ten dienste staan: kunstenaars leren van hun voorgangers en maken gebruik van technische innovaties waarover ze in een bepaalde periode konden beschikken. En hoewel Gombrich zelf zei behalve `common sense' geen specifieke methode aan te hangen, is dit aspect van zijn kunsthistorisch denken misschien van de grootste invloed geweest op latere generaties vakgenoten.

Maar eerst en vooral had Ernst Gombrich een rotsvast vertrouwen in de schoonheid en troost die de westerse beschaving biedt, en waarvan hij kunsthistorici als de woordvoerders beschouwde: `Het leven zou ondraaglijk zijn zonder de troost van grote kunst. [...] Men moet dankbaar zijn te kunnen luisteren naar Mozart en te kijken naar Velázquez en medelijden hebben met wie dat niet kan'.

    • Bram de Klerck