Fabio

Op de achttiende februari van het jaar negentienhonderdnegenennegentig overleed om een uur of half negen in de avond ons hondstamme en prachtig gekleurde dwergpapegaaitje aan de gevolgen van een zware epileptische aanval. Een dag later begroeven we het musgrote lijkje in een overdreven grote wijnkist in een hoek van de tuin. We markeerden het graf met stukken leisteen.

We kochten het diertje in een dierenwinkel, ongeveer op hetzelfde tijdstip dat Fabio Casartelli de geest gaf in een Zuid-Frans ziekenhuis. Casartelli kwam zwaar ten val in de Pyreneeën. We schrijven 17 juli 1995, de dag dat de vijftiende etappe van de Tour de France werd verreden. Het papegaaitje moest een naam krijgen. Wij noemden het: Fabio. Uit een onhandig soort van rouw.

Fabio Casartelli werd gefotografeerd terwijl hij in foetushouding op het wegdek lag. Zijn hoofd was niet echt meer een hoofd. In elk geval lag het restant van het hoofd in een plas bloed. Het bloed gehoorzaamde aan de wetten van de zwaartekracht. Het stroomde richting dal, het dal waarnaar Casartelli aanvankelijk op weg was.

Vorige week overleed de Franse skister Régine Cavagnoud. In het bijzijn van haar familie schakelden de artsen de beademingsapparatuur uit. Cavagnoud botste in training tegen een trainer.

Ik heb de grootste moeite met sportdoden.

Ik blader door de notities die ik maakte kort na Casartelli's dood. Het zijn verwarde aantekeningen, afgewisseld door een opsomming van valpartijen waarbij ikzelf met mijn hoofd tegen bepaalde obstakels sloeg. (Mijn god, mijn hoofd is ontelbare malen op een rots of wegdek geslagen.) Mijn slapie H., zo lees ik, kakelde van angst in zijn slaap. Hij schreeuwde voornamelijk om zijn moeder. Ik geef een overzicht van mijn eigen angstdromen. Het is telkens dezelfde droom: iemand valt zich te pletter terwijl hij gehuld is in mijn koerskledij. Ik lees hoe ik ooit van voren lek reed tijdens een afdaling en nipt tot stilstand kwam op het randje van een immense afgrond. Ik lees hoe ik tijdens de Ronde van Zwitserland over het randje schoot, en dat ik geen enkele herinnering heb aan de vrije val die voorafging aan het neerkomen. Ik noteerde dat een sporter een utopische krijger is, vechtend met een stompe speer. Ik noteerde dat de sporter een oorlogszuchtig wezen is, maar dat hij, door zijn toevlucht te zoeken tot de sport en het spel, zichzelf tot onschadelijk wezen heeft verklaard.

De sporter als een mens die zichzelf onschadelijk heeft gemaakt. Zo iemand mag niet sterven.

Het graf in de tuin zal ik voorlopig niet ruimen. Het is een monument voor de onschadelijken, dood of levend. Ik vermoed overigens dat het lijkje van Fabio niet is vergaan. In de kurkdroge aarde moet het zijn gemummificeerd. Dat zou helemaal mooi zijn.

    • Peter Winnen