Als EU klaar is, wil Oost-Europa niet meer

Het gesol van de Europese Unie met Midden- en Oost-Europa doet de steun voor toetreding daar afnemen. Volgens Cas Mudde is dát het grote gevaar, niet de vermeende groei van het populisme onder de Oost-Europeanen.

De wittebroodsperiode van Midden- en Oost-Europa en de Europese Unie is reeds lang ten einde. Sinds enkele jaren neemt de kritiek op de EU in de postcommunistische landen toe en maakt optimisme plaats voor frustratie.

Deze frustratie werd eerst zichtbaar op het niveau van de massa – in verschillende opiniepeilingen – maar begint zich nu ook in meester te maken van delen van de elite. Renée Postma stelt in haar artikel (NRC Handelsblad, 25 oktober) dat het eindeloze uitstel van de EU-uitbreiding tot groei van tegen de EU gericht rechts populisme en onrust in Midden- en Oost-Europa leidt. Zij slaat daarmee de plank gedeeltelijk mis. Er zijn ongetwijfeld groeiende problemen voor het uitbreidingsproces van de EU, maar deze zijn niet primair het gevolg van een vermeende `haiderisering' van Midden- en Oost-Europa.

De these van een `haiderisering' van Midden- en Oost-Europa is populair onder (Westerse) journalisten en commentatoren. Op 30 maart 2000 schreven Ian Hall en Magali Perrault in het internettijdschrift Central Europe Review een artikel met de titel `The Re-Austrianisation of Central Europe?', waarin zij, evenals Postma, een verband legden tussen EU-kritiek en groeiend rechtspopulisme. In de uitwerking bleek echter dat ongeveer iedere kritiek op de EU als populisme werd gezien, en zelfs pro-EU leiders als Victor Orbán, de premier van Hongarije, werden als een Oost-Europese `Haider' getypeerd. Postma is genuanceerder, en wijst expliciet op rechtspopulisten als Csurka, Lepper, en Tudor. Ze schetst niettemin een erg eenzijdig en overdreven negatief beeld van de huidige postcommunistische politiek.

De recente successen van rechtspopulisten en -extremisten in Polen passen niet in een regionaal patroon. Het beeld van zwakke Oost-Europese democratieën onder druk van populaire rechtspopulisten is een mythe, zij het een hardnekkige. Feit is dat rechtspopulisten in Oost-Europa electoraal grofweg even succesvol zijn als in West-Europa. Tegenover de recente electorale successen van Lepper in Polen en Tudor in Roemenië, staan de verliezen van Sládek in Tsjechië en Siegerist in Letland. Als men op de meest recente peilingen afgaat moet men zelfs concluderen dat rechtspopulisme in een dal zit. In Hongarije staat zowel Csurka's MIÉP als Torgyans (gesplitste) FKgP in peilingen onder de vijf procent die nodig zijn voor een parlementaire vertegenwoordiging. Tudor lijkt in Roemenië ook over zijn piek heen. Dit geldt reeds langere tijd voor de beruchte Zjirinovski in Rusland. Tot slot dient te worden opgemerkt dat er momenteel in geen enkel Oost-Europees land rechtspopulisten in de regering zitten – ter vergelijking, in West-Europa is dit het geval in twee landen (Italië en Oostenrijk).

Hiermee is niet gezegd dat populisme geen rol speelt in Oost-Europa. Integendeel, politiek populisme – waarin de wereld in twee homogene kampen wordt verdeeld, het `goede/eerlijke' volk versus de `slechte/corrupte' elite – is haast een dominante stijl van politiek in de regio, die haar oorsprong vindt in de retoriek van zowel de (voormalige) communisten als de dissidenten. Maar dit populisme gaat niet noodzakelijkerwijs gepaard met extreem-rechtse ideeën, noch met een afwijzing van (toetreding tot) de EU.

Desalniettemin laat het eindeloze gesol met de toetredingslanden steeds meer sporen achter. Niet zozeer in de zin van een grote toename van het aantal tegenstanders van toetreding, maar eerder in een significante afname van het aantal voorstanders. Waar opiniepeilingen begin jaren negentig nog overgrote meerderheden voor toetreding en marginale minderheden tegen lieten zien, zijn recente cijfers veel minder rooskleurig. Zo waren volgens een peiling in mei 2001 in bijna alle landen uit de 'eerste groep' van toetreders (Estland, Polen, Slovenië, en Tsjechië) nog slechts een minderheid van tussen de 42 procent en 48 procent voor toetreding, terwijl alleen in Hongarije een kleine meerderheid (54 procent) voor was. Om aan te geven hoe snel het gaat, een jaar eerder waren de cijfers voor Hongarije, Polen, en Tsjechië nog respectievelijk 69, 59, en 49 procent!

Daarentegen is de afwijzing van toetreding relatief stabiel gebleven, en ligt tussen de 15 (Hongarije) en 25 procent (Polen en Tsjechië).

Gek genoeg heeft dit op eliteniveau nog tot weinig openlijke `Euroscepsis' geleid. Extreem-rechts en -links waren en zijn nog steeds tegen toetreding, maar grotendeels alle andere partijen blijven voor. Wellicht de enige mainstream-politicus die vol op de `Euroscepsis-bandwagon' is gesprongen, is Václav Klaus, de voormalig premier en huidig voorzitter van de Tweede Kamer in Tsjechië. Gek genoeg is de populist Vladimír Meciar, voormalig en hoogstwaarschijnlijk toekomstig premier van Slowakije, juist meer en meer pro-EU geworden. Wel leidt het eindeloze uitstel door de EU tot grote frustratie onder pro-EU-politici, zoals de Hongaarse premier Orbán. Zij voelen zich in de steek gelaten door de EU, maar blijven toetreding voorstaan.

De steeds snellere afname van steun voor toetreding, eerder dan de nog steeds voorzichtige groei van de afwijzing ervan, kan echter een groot gevaar voor het uitbreidingsproces van de EU inhouden.

Allereerst doet het de kloof tussen bestuurders en bestuurden op het gebied van Europese integratie ook in Midden- en Oost-Europa groeien. Ten tweede, en daarmee samenhangend, ondermijnt het de slagvaardigheid van het pro-EU-kamp in deze landen. Deze zal van groot belang zijn bij het mobiliseren van haar aanhang in de toetredingsreferendums.

Het is dus zaak dat de EU ophoudt met het sollen met de Midden- en Oost-Europeanen en duidelijk maakt wanneer en onder welke duidelijke voorwaarden zij mogen toetreden. Laat men dit na, dan is er een kans dat tegen de tijd dat de EU klaar is voor de Midden- en Oost-Europese landen, zij de EU links laten liggen.

Cas Mudde doceert politicologie aan de Universiteit van Edinburgh.

    • Cas Mudde