Westen moet eigen waarden oppoetsen

De Britse premier Blair en de Amerikaanse president Bush hebben blijkbaar in de gaten gekregen dat er iets aan de man moet worden gebracht. Op de een of andere manier zijn de voortreffelijke kwaliteiten van de westerse waarden aan grote delen van de rest van de wereld voorbijgegaan.

En dus zien wij Blair heel het Midden-Oosten doorkruisen voor overleg met de leiders van landen als Saoedi-Arabië en Syrië. Nergens lijkt de verkooppraat intussen zo slecht aan te slaan als in eigen land. In Groot-Brittannië leeft een generatie jonge moslims – van wie een aantal onze universiteiten heeft bezocht – die aanhangers zijn geworden van een variant van de islam die op het Westen neerkijkt.

Het resultaat is een absurd schouwspel. Terwijl sommige moslims zich Engeland binnen proberen te vechten, trekken anderen weg om tégen Engeland te vechten. Iedere nacht weer proberen Afghanen met gevaar voor eigen leven door de Kanaaltunnel illegaal het land binnen te komen. Iedere dag zijn er zonen en kleinzonen van mensen met een soortgelijke religieuze en geografische achtergrond die ofwel ons land verlaten om zich bij de Talibaan aan te sluiten, ofwel hier openlijk hun steun betuigen aan de vijand van hun gastland. En dat in oorlogstijd. Met andere woorden: zij hebben tijdens hun verblijf hier wel boekhouden of bruggenbouw geleerd, maar aan hun emotionele loyaliteiten is niets veranderd.

Hoe is dat mogelijk? Hoe is het mogelijk dat zij niets voelen voor een land dat hen op een koopje of zelfs gratis heeft opgeleid tot ingenieur of advocaat? Hoe kunnen zij een land verachten dat hun toestaat hun geloof aan te hangen, en dat zelfs niet verhindert dat een van hun moskeeën is genoemd naar de Iraakse dictator Saddam Hussein, die er eind jaren tachtig aan heeft meebetaald? Hoe kunnen zij zich afkeren van een land dat hun toestaat hun zusters uit te huwelijken op een wijze die het verafschuwt? En hoe is het mogelijk dat zij geen loyaliteit voelen jegens een land dat zo zijn best doet om het de nieuwe gasten naar de zin te maken dat het, om maar geen aanstoot te geven, bepaalde aspecten van zijn eigen cultuur verloochent – zoals sommige gemeenteraden nu doen door de vrije dagen in december niet meer `kerstvakantie' te noemen.

Het antwoord is dat dát nu juist de reden is waarom sommige jonge moslims geen respect voor de Britse samenleving meer kunnen opbrengen. In de ogen van gelovigen hebben de ruimhartige waarden van de verdraagzaamheid soms verdacht veel weg van onverschilligheid of zelfgenoegzaamheid. Wie ziet dat het westerse leven nu alom wordt gekenmerkt door aantasting van de godsdienst, vernietiging van de waarden van het gezin en aftakeling van traditionele omgangsvormen, zal deze samenleving gemakkelijk gaan zien als een morele achterbuurt. Wie smacht naar spirituele waarden, maar van de maatschappij waarin hij leeft niets van dien aard krijgt aangeboden – of hooguit, in het geval van de Engelse staatskerk, spirituele waarden waarvoor deze zich steeds dieper schaamt – , zal maar al te graag toelaten dat anderen de leemte vullen.

Natuurlijk is het Westen niet voor honderd procent geseculariseerd, en zijn ondanks de hoge echtscheidingscijfers vele gezinnen nog intact, maar dat is niet precies waar het om gaat. Het gaat erom dat het westerse bouwsel berust op waarden die werkelijk enige aanspraak mogen maken op universaliteit. En toch lijkt het bijna onhoffelijk om deze waarden hoog te houden. Niet in de laatste plaats uit consideratie met immigranten-`gemeenschappen' voelt niemand er veel voor om de westerse waarden aan te prijzen.

De oorzaak van dit alles is dat Groot-Brittannië zich in de greep bevindt van een nieuwe klasse beroepspolitici, die in de hoogste regionen van het landsbestuur denkwijzen heeft ingevoerd die tot dusverre enkel de academische wereld en de wereld van de media hadden aangestoken.

`New Labour' en zijn commentatoren schilderen de `Britse Constitutie' – dat vroeger zo gezonde, zij het ongrijpbare wezen – af als iets mufs, iets benauwends. Men beschouwt haar instellingen niet als een schatkamer van overgeleverde kwaliteiten, maar als zaken die toevallig heel aardig voor actuele doelstellingen kunnen worden misbruikt.

Het democratische stelsel in de zin van Burke wordt afgedaan als iets heimelijk elitairs: het moet worden vervangen door de `brandpuntgroep en de showregie, die veel meer mogelijkheden bieden. De vrije beroepen worden smadelijk uitgemaakt voor vakbonden in witte overhemden – een dwaling die, om eerlijk te zijn, op het thatcheriaanse denken teruggaat. De hogere sferen van de geleerde wereld zijn het voorwerp van jakobijnse afgunst.

Het belangrijkste kenmerk van dit postmoderne Groot-Brittannië is de transformatie van het verlichtingspluralisme tot een neerdrukkend multiculturalisme, dat de geschiedenis en de cultuur van het Westen aan de kaak stelt als elitair en racistisch, en de voorkeur geeft aan de meer `authentieke' boodschap van immigranten en de Derde Wereld. Het lijkt de `multiculturele postmodernen niet te storen dat zij culturen aanbidden die veelal weinig op hebben met verdraagzaamheid.

Zo worden in het moderne Engeland de traditie, de staat en de academische wereld allemaal laag aangeslagen, en dat niet door een paar dissidenten, maar door leraren, radiomedewerkers en politici. Respect voor de ander, hoffelijkheid en verdraagzaamheid worden gewantrouwd, en dat niet door een paar marginale figuren, maar door mensen van wie je zou denken dat zij een leidende rol spelen in onze cultuur.

De les die wij hieruit moeten trekken is, dat wij onze jongelui van eigen kweek de Verlichting keihard moeten aanprijzen. Dat houdt in dat wij hun de Verlichting moeten demonstreren, zodat de feiten voor zich spreken.

Immigranten verbazen zich vaak als eersten over de lage dunk die het Westen heeft van zijn eigen kwaliteiten, en velen van hen ontwikkelen zich tot de trouwste pleitbezorgers van de westerse waarden. Maar anderen zwichten voor de sirenenzang van de fundamentalistische terrorist.

Onze beschaving staat weer eens op het spel, en misschien vinden wij onder de nieuwkomers niet alleen een aantal van haar gevaarlijkste vijanden, maar ook haar sterkste bondgenoten.

Richard D. North is mediamedewerker van het Institute of Economic Affairs in Londen.

© The Wall Street Journal Europe

    • Richard D. North