Tuinvoeding

Het grondprincipe van tuinieren is een waarheid als een koe: je kunt er niet meer uithalen dan je erin stopt. Dat geldt voor de hoeveelheid werk die je aan de tuin besteedt, het enthousiasme waarmee dat werk wordt verricht, en voor de hoeveelheid voedingsstoffen die een tuin nodig heeft. De ene grondsoort bevat meer voedingsstoffen dan de andere, maar het principe blijft hetzelfde: bij iedere vorm van tuinieren wordt voeding aan de grond onttrokken, of dat nu gebeurt in de vorm van onkruid, uitgebloeide bloemen, afgestorven planten en afgezaagde takken, of in de gedaante van malse kroppen sla en geurige aardbeien. Wie onttrekt, moet aanvullen - nog zo'n kalenderaforisme dat je zowel op huwelijken als op tuinen zou kunnen toepassen.

In theorie kun je de vruchtbaarheid van de tuin op peil houden door de kringloop van de natuur in stand te houden door al het plantaardige materiaal dat je aan een tuin onttrekt tot compost te verwerken. Als je daaraan ook nog huisafval toevoegt, zou je de grond zelfs kunnen verrijken. Het toevoegen van menselijke uitwerpselen gebeurt nog wel in verre landen als Egypte en China, maar is in ons land sinds ongeveer een halve eeuw taboe. Het woord `composthoop' heeft voor veel tuiniers een magische klank en vooral de beginner stapelt vaak vol verwachting zijn tuinafval in een verloren hoekje naast zijn tuinschuurtje op. De ontgoocheling volgt snel nadat hij zijn eerste zelfgemaakte compost over zijn perken heeft uitgespreid. In theorie loopt de temperatuur in een composthoop zo hoog op dat ziektekiemen en onkruidzaden worden gedood; in de praktijk ziet de amateurcompostmaker hoe zijn tuin onder een groene deken van kiemend onkruid wordt bedekt. De treurige waarheid is dat het niet meevalt om zelf onkruidvrije compost te fabriceren. Daar komt nog bij dat een composthoop al snel een paar vierkante meter in beslag neemt, te meer daar de hoop na verloop van tijd moet worden omgezet, waarbij de onderste lagen boven komen en de bestaande afvalberg noodzakelijkerwijs wordt verplaatst.

Naast de zelfgemaakte compost-hoop bestaat er een ruimtebesparende uitvinding: een kunststof compostvat, dat soms met gemeentesubsidie kan worden aangeschaft. Zo'n cilindervormig vat werkt prima, maar meer dan een kruiwagenvol onkruid tegelijk kun je er niet in kwijt. Bovendien is zo'n compostvat niet mooi, en in een kleine tuin is het niet makkelijk weg te moffelen. Met compostvaten en vuilcontainers begint zo'n tuin dan enigszins op een industrieterreintje te lijken. Geen wonder dat sommigen liever kant-en-klare compost kopen. Die is afkomstig van gecomposteerd huisvuil en jammer genoeg is dat ook te ruiken.

Wie op redelijk vruchtbare grond tuiniert, kan het wel zonder compost stellen, maar niet zonder het toedienen van mest. Mest valt in twee groepen uiteen: organische mest en kunstmest. Organische mest kan plantaardig zijn, bijvoorbeeld cacaodoppen of afgewerkte champignonmest, of dierlijk. Vroeger was dierlijke mest vaak afkomstig van dode, vermalen dieren en slachtafval – bloedmeel, beendermeel, vermalen koeienhoeven – maar sinds de laatste mkz-crisis is dergelijke mest vrijwel verdwenen. Verkrijgbaar blijven dierlijke uitwerpselen, in de vorm van koeien-, paarden-, kippen- of konijnenmest.

Alle dierlijke mest is te gebruiken, mits niet al te vers, en gemengd met organisch materiaal, zoals stro of turfstrooisel. In de stad kan het bezwaarlijk zijn een berg dierlijke mest op straat te laten storten. Hier is gedroogde, tot korrels of pellets geperste en verpakte mest een uitkomst. Sinds veel tienermeisjes over een paard of pony beschikken, is het aanbod van paardenmest enorm toegenomen. Sommige manegehouders komen de mest zelfs gratis bezorgen. Wees argwanend als de mest vermengd is met zaagsel of houtmot; het houtafval kan afkomstig zijn van hout dat op chemische wijze is verduurzaamd, een reden waarom het door de zagerij weer gratis bij de manege is bezorgd. Zo wordt het afvalprobleem doorgeschoven.

Wie niet mest om de structuur van de grond te verbeteren door organische stof toe te voegen, gebruikt kunstmest. De goedkoopste mest is vaak niet slechter dan de duurste. Kunstmest kan een uitkomst zijn voor het mesten van kuipplanten die iedere dag water krijgen waardoor alle voedingstoffen in ijltempo uit de grond spoelen. Mest toedienen kan met oplosbare korrels of vloeibare mest, via het gietwater, maar ook door langzaamwerkende mest aan de potgrond toe te voegen. Vaak zal dit Osmocote zijn, een meststof die ook in de boomkwekerij op grote schaal wordt gebruikt. Osmocote bestaat uit kleine, met vloeibare mest gevulde kunstharskorrels die via osmose – het transport van moleculen door een halfdoorlatende wand – hun mest over een gecontroleerde periode aan de potgrond afgeven.

De werkingsduur van Osmocote kan drie maanden zijn, maar ook tien. Deze meststof is ontwikkeld voor lichte potgrond op basis van tuinturf of veenmosveen, die zelf nauwelijks voedingsstoffen bevat. Ideaal voor de rug, want een pot die met deze potgrond gevuld is weegt bijna niets, maar, om er tot slot nog maar een kalenderwijsheid tegenaan te gooien: hoe lichter de pot, hoe sneller hij omwaait.

    • Romke van de Kaa