Rebecca wil Afrikaanse blijven

Ruim 3.000 Soedanese vluchtelingen krijgen in de Verenigde Staten een nieuwe kans. De cultuurschok voor de weeskinderen is groot.

Betty en Larry Doll uit Hudsonville in de Amerikaanse staat Michigan hadden nooit gedacht dat ze nog eens pleegouders zouden worden. Twee maanden voordat de eerste van ruim 3.300 Soedanese vluchtelingen uit het Keniaanse vluchtelingenkamp Kakuma naar de Verenigde Staten vertrokken, hoorden ze pas dat er nog families werden gezocht om 500 minderjarige wezen op te vangen. Ze zeiden tegen elkaar: ,,Wat geweldig dat er mensen zijn die zoiets doen.'

Daarna konden ze de kinderen niet meer uit hun hoofd zetten. Of ze nou de radio aanzetten, of naar de kerk gingen, steeds hoorden ze over de `Lost Boys', zoals de weeskinderen door de media genoemd werden. ,,Het was de roep van God', zegt Betty Doll.

Het was ook het verhaal van de kinderen dat hen raakte. Toen de Soedanese burgeroorlog in 1987 weer eens oplaaide, vluchtten ruim 30.000 zwarte, christelijke jongeren voor het regeringsleger van Arabische islamieten. Die kinderkaravaan zocht veiligheid in Ethiopië, maar daar moest ze in 1991 ook weer vluchten. Onderweg stierven de kinderen bij duizenden door kogels, honger, ziekte, uitputting, wilde dieren en verdrinking.

Na een tussenstop in Zuid-Soedan arriveerden in de loop van 1992 uiteindelijk zo'n 12.000 overlevenden in een Keniaanse vluchtelingenkamp, waar ze in groepjes voor elkaar bleven zorgen. Tot de Verenigde Staten besloten om zich te ontfermen over de resterende `Lost Boys'.

Op 6 december vorig jaar kregen Betty en Larry Doll, wier zoon en dochter net het huis uit zijn om te studeren, er in één klap drie kinderen bij: de inmiddels 16-jarige Rebecca, haar 18-jarige broer Benjamin en haar 10-jarige zusje Adau. Eigenlijk zouden ze aankomen op 5 december, maar door een sneeuwstorm strandden ze op het vliegveld van Detroit. Een poging van de Dolls om hen daar per auto op te halen mislukte, omdat ze onderweg in botsing kwamen met een hert.

Na die turbulente kennismakig is het in hun wit met blauwe houten woning nooit meer rustig geweest. Ze kregen te maken met een rechter en maatschappelijk werkers aan wie ze verantwoording moesten afleggen. Ze raakten hun privacy kwijt. Ze werden ook geconfronteerd met culturele verschillen, met misverstanden, met oud en nieuw verdriet dat onverwacht de kop opstak.

Maar ze dragen die lasten blijmoedig. Larry toont trots de foto's van zijn uitgebreide familie. En Betty die toch niet gauw grote woorden in de mond neemt, prijst zich ,,gezegend' met haar nieuwe kinderen.

Rebecca Arok Deng is een timide, teruggetrokken meisje dat makkelijk van streek raakt. Ze laat heel lange stiltes vallen en frunnikt onophoudelijk aan het haar. Ze leeft op als ze over school praat. Want onderwijs is haar baken en haar anker. Dat was bij de meeste van de `Lost Boys' in het kamp al zo: dat ze school zagen als de enige weg om het leven eens in eigen hand te nemen. Dat gold nog in sterkere mate voor de meisjes, de `Lost Girls' over wie niemand ooit spreekt omdat de meesten letterlijk verloren zijn gegaan.

Meisjes vormden altijd al een minderheid in de kinderkaravaan die tussen 1987 en 1992 van Soedan via Ethiopië naar Kenia trok. Maar in 1991 waren er altijd nog 3.000. Hoeveel er uiteindelijk een jaar later in het vluchtelingenkamp belandden, is niet bekend. Want anders dan de jongens werden de meeste meisjes al snel door vluchtelingenfamilies opgenomen. Dat gebeurde meestal uit eigenbelang en vaak tegen de wil van de meisjes. Ze mochten niet naar school en moesten in het huishouden helpen. Zodra ze begonnen te menstrueren, werden ze aan een echtgenoot verkocht.

Toen Amerikaanse hulpverleners begonnen te inventariseren hoeveel Soedanese weeskinderen in aanmerking kwamen voor emigratie naar de VS, vonden ze niet meer dan honderd meisjes. Van hen bleek tachtig procent in het kamp te zijn mishandeld. Driekwart leed aan slapeloosheid, angsten of depressie.

Voor de laatste `Lost Girls' is de verhuizing naar de VS een nipte redding. Stuk voor stuk vertelden ze ruim een jaar geleden in het vluchtelingenkamp hoe bang ze waren dat een ver of vermeend familielid hen plotseling zou komen opeisen. Dat ze op huwbare leeftijd nog niet uitgehuwelijkt waren en zelfs nog naar school gingen, was een godswonder dat onmogelijk kon blijven duren. Stuk voor stuk klaagden ze ook over de verantwoordelijkheid voor jongere broertjes en zusjes die na al die jaren steeds zwaarder ging drukken. Allemaal droomden ze ervan dat ooit nog eens iemand zou zorgen voor hen.

Rebecca is blij dat ze nu een ,,mama' heeft die haar helpt met haar huiswerk. En opgelucht dat ze zich voorlopig niet met trouwen en kinderen hoeft bezig te houden. Dat ze zelf nog even kind mag zijn. Maar ze gruwt van het Amerikaanse eten. Ze zal nooit een hamburger eten, ook al werkt ze op zaterdagavond bij Burger King, als onderdeel van de ,,American experience', zoals haar pleegmoeder zegt. Dat Amerikanen steeds vragen wat ze vindt van de VS, wekt haar wrevel. ,,Ik ben Afrikaan', zegt ze vastbesloten, ,,en dat wil ik blijven ook.'

De Amerikaanse antropologe en jeugdwelzijnswerker dr. Julianne Duncan moest vorig jaar in het vluchtelingenkamp vaststellen of het belang van de afzonderlijke kinderen met een emigratie naar de VS het best was gediend. Tegenwoordig begeleidt ze in Washington de opvang als assistent-directeur voor vluchtelingenprogramma's van de United States Catholic Conference. Ze zegt dat de kinderen er op de korte termijn ingrijpend op vooruitgaan. Ze hebben nu tenminste elke dag een volle maag en zijn niet blootgesteld aan oorlogsdreiging. Ze kunnen rekenen op zorg, zowel medisch als emotioneel.

Maar effecten op de lange termijn zijn veel ongewisser. Zeker is dat voor het verlies van land, familie en traditie ook een prijs moet worden betaald. Verhuizen naar de VS noemt ze ,,de minst schadelijke oplossing'. ,,Beter was het geweest als de kinderen naar Soedan hadden kunnen terugkeren. Maar die mogelijkheid is er niet, zolang er geen einde aan de burgeroorlog komt.'

Laatste deel van een tweeluik over naar Amerika geëmigreerde Soedanese vluchtelingen. Het eerste deel verscheen op 31 oktober.