`Getuigen' verslaan slavenhandel op expositie

Rembrandt heeft negers geschilderd, en Rubens ook. En Gerard Dou, en Isaac Israëls. Pas bij Ieke Spiekman gaat de titel van het werk voorbij aan de huidskleur van de afgebeelde. Haar schilderij uit 1999 heet Man in straat. Aan het slot van de tentoonstelling over slavernij in het Amsterdamse Scheepvaartmuseum hangt een tiental schilderijen met zwarte mensen. Ook hangen er hedendaagse foto's met zwarte mensen. Wie dat zijn is onduidelijk, een toelichting ontbreekt. Gelukkig loopt samensteller Dirk Tang net door `zijn' tentoonstelling. Het blijken museummedewerkers te zijn, gevraagd om te poseren als nazaten van slaven.

De portrettengalerij is de gewaagde uitsmijter van een gewaagde expositie. Zo'n complex verschijnsel als slavernij behandelen in een bescheiden ruimte,dat is een riskante onderneming. Anders dan titel en locatie doen vermoeden, gaat de expositie over meer dan het transatlantische slaventransport. Natuurlijk zijn er scheepsmodellen te zien, en zeeplattegronden (een `overzeiler' uit 1646), maar er is ook aandacht voor doorgaans weinig belichte aspecten: de Arabische slavenhandel in Afrika, de opstanden van gevluchte slaven in Suriname, christenslaven in Noord-Afrika. Met weinig rekwisieten en inventieve vormgeving biedt Slaven en Schepen een goede introductie tot het onderwerp.

De nadruk ligt op de Nederlandse slavenhandel, in de 17de eeuw uitgevoerd door het `staatsbedrijf' de West-Indische Compagnie, in de 18de eeuw door particuliere handelaren als de Middelburgse Commercie Compagnie. Naar schatting vervoerden Nederlandse schepen zo'n 500.000 slaven, vijf procent van de – over het aantal wordt door onderzoekers getwist – hier gehanteerde tien miljoen Afrikanen die in de periode 1500-1850 naar de Amerika's zijn vervoerd. Het percentage is een gemiddelde, tussen 1760 en 1773 bedroeg het Nederlandse aandeel tien procent. Nog één percentage: zestien procent van de slaven overleed tijdens de overtocht.

De Nederlandse schepen – verbouwde koopvaardijschepen, veel kleiner dan we geneigd zijn te denken – maakten een driehoeksreis. Goederen uit Europa werden aan de Afrikaanse westkust geruild voor slaven die in het Caribisch gebied werden verkocht voor suiker waarmee men naar Europa terugkeerde. Van de nauwkeurig bijgehouden boekhoudingen zijn enkele staaltjes te zien. Gezonde slaven tussen 15 en 35 jaar verkocht de WIC in 1713 voor ƒ 250,- per stuk. Atributen van de slaven zelf zijn nauwelijks bewaard gebleven, veel meer dan een blok en boeien uit het Afrikamuseum in Berg en Dal is er niet. Het gemis aan voorwerpen wordt gecompenseerd door negen `getuigen' op te voeren, die hun waarnemingen uit een speakertje laten horen.

Eenmaal bij het heden aangekomen kunnen bezoekers achter een computer reageren op de stelling `Nederlanders moeten zich niet al te veel zorgen maken over hun slavernijverleden, maar zich bezighouden met de toekomst'. Opmerkelijk is dat bezoekers tot 25 jaar en boven de 50 jaar het daar overwegend mee eens zijn, en dat de groep daartussenin zich tegen de stelling keert. Jong en oud richten zich op de toekomst, dertigers en veertigers zijn bereid het pijnlijke verleden onder ogen te zien.

Tentoonstelling: `Slaven en Schepen – Enkele reis, bestemming onbekend'. T/m 29 september 2002 in Nederlands Scheepvaartmuseum, Kattenburgerplein 1, Amsterdam. Di t/m zo 10-17u. Inl. (020) 5232222. www.scheepvaartmuseum.nl

    • Mark Duursma