Een stille genieter

Bescheiden juichkreten zoals het hockeypubliek betaamt weerklinken slechts wanneer de aanvaller een van zijn flitsende eenmansacties heeft afgerond. In hockeykringen is de snelle en stickvaardige Teun de Nooijer slechts een hooggewaardeerde speler. Zou hij een voetballer zijn geweest, dan hadden fans hem aanbeden en media hem overladen met superlatieven. Dan was hij al voor zijn twintigste uitgeroepen tot Gods liefste zoon en zou hij als een arrogante kwast over straat hebben gelopen.

Maar Teun is een hockeyer. Hoe goed, hoe snel en hoe vaardig ook met zijn hockeystick, Teun blijft bescheiden en realistisch. Hij past bij hockey. Het ontbreekt er nog maar aan dat hij zich verontschuldigt bij de tegenstanders die hij zojuist met een paar handige stickbewegingen een voor een voor aap heeft gezet. Teun is geen meedogenloze sportman. Hij is geen killer bij wie het bloed in de ogen staat, hij is een hockeyer die geniet van zijn uitzonderlijke talent. Telkens wanneer een van zijn solo's is geslaagd, zie je hem heimelijk glunderen. Als een stille genieter.

Toch heeft hij ook iets van een voetballer. En niet van de eerste de beste. Op zijn oranje-shirt van het Nederlands elftal draagt hij nummer 14, het heilige nummer 14 dat eens Johan Cruijff toebehoorde. Maar ook de stijl van rennen en de stijl van bewegen roepen herinneringen op aan die van Cruijff in zijn beste dagen. Snel, wendbaar, de ene na de andere speler omzeilend, is hij op zoek naar het vijandelijke doel. Niet met zijn hoofd voorover zoals menig hockeyer is geneigd te doen maar fier omhoog overziet hij al rennend het speelveld. Om aan het eind van zijn actie een medespeler in staat te stellen te scoren.

Al als puber vestigde Teuntje-met-de-pijpenkrullen de aandacht op zich. Als veertienjarige jongen stond hij al in het eerste elftal van Alkmaar. Twee jaar later was hij door de scouts van Bloemendaal overgehaald om bij de topclub te komen spelen. Als zeventienjarige was hij de jongste speler van de hoofdklasse. Ruim acht jaar geleden wisten de hockey-insiders het al, Teun de Nooijer zou een hele grote worden. Een speler die het Nederlands hockeyteam olympische titels en wereldtitels zou bezorgen, een man die op handen zou worden gedragen in binnen- en buitenlandse hockeykringen.

Zo heel groot is hij (nog) niet geworden. Al zijn bijvoorbeeld de liefhebbers van Harvestehuder THC, een Duitse topclub in Hamburg waarvoor hij drie jaar geleden een seizoen speelde, nog steeds niet over Der Superspieler aus Holland uitgepraat. Toch is Teun, nu 25 jaar, na 191 interlands en tal van nationale en internationale titels, momenteel veruit de beste hockeyer van Nederland. Niemand in het Nederlands elftal is van het niveau van Teun. Alleen wanneer Teun de Nooijer in actie komt, trillen de knieën van Oranje's tegenstanders.

Zonder Teun heeft een hockeywedstrijd al gauw iets van een moderne voetbalwedstrijd. Hockeyers die de bal van A naar B verplaatsen en weer terug, in de hoop de afwachtende tegenstander daarmee angst in te boezemen. Het merendeel van het publiek wacht gespannen op het moment dat Teun zich uit de spits van de aanval heeft laten zakken, de bal op zijn stick smoort en op zoek gaat naar een razendsnelle solo. Het publiek verheft zich en de bescheiden aanmoedigingen zwellen aan tot bijna ordinair geschreeuw, wanneer Teun zich een weg baant door de vijandelijke linies. Wanneer hij wordt gestuit, is het `ach en wee' niet van de lucht en buigt Teun de Nooijer beschaamd het hoofd. Want hij had zo graag ter afronding van zijn solo willen scoren, zoals Johan Cruijff dat deed in zijn beste dagen.

    • Guus van Holland