Eddie's Boulevard

Het wil niet echt met de oorlog in Afghanistan. Inleven. Soms zie je beelden van mensen in vluchtelingenkampen. Erg, denk ik braaf. Het is ook erg. Een foto van een dode, omgekomen bij een bombardement. Alweer: erg. Zo makkelijk, ja zelfs onontkoombaar als het was om geraakt te zijn door alle slachtoffers van de aanval op het WTC, zo weinig lukt dat nu. Zijn er te weinig beelden? Zijn de beelden te vreemd, te mooi, te ver? De foto die afgelopen zaterdag in de krant stond, waarop een jongen met zijn ezel door de modder en de regen ploeterde was een prachtige foto, en heus denk ik wel: `hu wat nat en koud en modderig'. Einde gedachte. Bij het wakker worden denk ik niet: hoe zou het nu in Afghanistan zijn? Afghanistan is een woord.

Het verbaast me, want ik zou het wel anders willen. Afgelopen vrijdag schreef Bas Heijne in het Cultureel Supplement over de vervreemding van de ervaring doordat we zoveel uitsluitend via de televisie of het computerscherm `meemaken'. Hoe daardoor ook het `echte' hij gaf als voorbeeld reality-tv niet meer als echt gevoeld wordt. Ik weet dat niet zo goed, ik zie heel af en toe een flard Big Brotherachtigheid en dan komen die mensen mij inderdaad buitengewoon weinig echt voor, maar dat komt vooral door hun wezenloze gezemel. De aanslag op New York heb ik heel echt gevonden, al was het dan, zoals velen zeiden `net een film'. Het was natuurlijk ook een film, we waren niet daar. En daar is ver weg. Toen in 1991 een brandende flat op de televisie te zien was waar zojuist een vliegtuig op gevallen was en de verslaggever zei: `Amsterdam' barstte ik in tranen uit. Deed ik niet toen ik naar die WTC-torens keek, hoe schokkend dat ook was. En weer wel toen mijn moeder na haar inleidende vraag of ik gehoord had wat er gebeurd was met een van de twee oudste vrienden van mijn jongste broer, het verhaal vertelde van de moord op Eddie.

Eddie. Kende hem nauwelijks, hij kwam bij ons thuis als kleine jongen. Eddie, Richard, mijn broertje Huib, drie jochies van tien die over straat zwierven en niet bij elkaar in de klas te handhaven waren omdat ze te veel zaten te keten. Later werden de vrienden echte jongens, zag je ze nog wel eens op enige afstand wat schutterig doen, nog weer later hoorde ik alleen af en toe hun namen nog wel eens en verbaasde me over de duur van deze vriendschap, de trouw van die jongens die ieder hun eigen ingewikkelde leven gingen leiden en toch kans zagen elkaar niet uit het oog te verliezen.

Eddie dan, woonde in de Amsterdamse Pijp. Had wat asociale buren, een moeder met twee zoons, die hun brommers altijd op een parkeerplaats neerzetten zodat daar geen auto kon parkeren, wat in de Pijp met zijn gebrek aan parkeerplaatsen bijzonder irritant is. Een automobilist die zijn auto kwijt wilde vroeg aan Ed of hij die brommer(s) even opzij wilde zetten. Deed Ed. Had hij wel vaker gedaan, zei mijn broer. 's Avonds kwamen de buurjongens, versterkt met een derde type, verhaal halen. Ze hadden knuppels bij zich. Ze wilden dat Ed naar beneden kwam. Ze trapten tegen zijn motor of gooiden die om. Ed ging naar beneden, boog zich naar zijn motor, werd hard op zijn hoofd geslagen met de knuppels en in zijn rug gestoken met een mes. Volgens sommige versies daarna ook nog in zijn borst, toen hij zich omdraaide. Hij rende of liep of strompelde naar het café waar hij altijd kwam, vertelde wat er gebeurd was. Zakte weg. Kon in het ziekenhuis niet meer gereanimeerd worden.

Alweer zo'n verhaal. Het stond ook in sommige kranten. Zinloos geweld heet het, tragisch, nog geen veertig, zo'n aardige jongen. `Erg.' Maar het was wel Eddie en dus was het ineens, voor zijn naaste vrienden en familie, maar zelfs voor mij, echt.

De kist, die door een bevriende kunstenaar beschilderd was, werd door zijn vrienden weggedragen van het café waar hij ineengezakt was. De buurt had op de Ruysdaelkade, vanwaar de boot naar Zorgvlied zou vertrekken, spandoeken opgehangen: `Eddies boulevard'. Hij werd met muziek begraven, met zingende Surinaamse vrouwen bij het graf. Richard, het voormalige kleine blonde kereltje dat samen met mijn broertje in onze huiskamer Sinterklaasliedjes zong terwijl ik piano speelde, droeg een pak dat hij van Eddie gekregen had. Hij zei tegen de kist: `Ed, ik zie je'. Grote kerels snikten.

Een vriend schreef in een brief over hoe ver weg die vijfduizend doden uit New York alweer zijn, hoe ze al, voor ons, bijna niet meer bestaan. Wij zijn allang weer met de wereld bezig, met `het westen' en `de islam'.

Vorige week hing aan een van de bruggen op de Ruysdaelkade nog de al wat miezerig ogende banier `Eddies boulevard'. Inmiddels is die ook weg, de bloemenresten zijn opgeveegd en zo hoort het ook. De dader is gearresteerd, heeft bekend, zal wel gestraft worden. De kranten zullen er verder over zwijgen.

Waarom dit allemaal opgeschreven? Zeker om weer eens te zeggen dat dichtbij huis erger is, om dat vervolgens onterecht te vinden en goede voornemens te maken. Of om te beweren dat het inlevingsvermogen door deze gebeurtenis juist weer is vergroot. Of om geheel ten overvloede duidelijk te maken dat het verschil tussen iets in de krant dat je niet aangaat en iets dat je hoort of leest en dat je wél aangaat levensgroot is. Dat er dan helemaal geen onduidelijkheid bestaat over `echtheid'.

Ach. Ik weet het niet. Misschien is het schaamte dat dit zo hard aan komt en die doden in Afghanistan niet. Maar vooral is het om hun namen te noemen, om stil te staan bij Eddie, Richard, mijn broer Huib. Die drie jongens. Nu zijn er nog maar twee. Dat is alles.