C.C.S. Crone in Arnhem

Op donderdag 8 november 1951 voelde de schrijver C.C.S. Crone, die onlangs in Utrecht met een herdenkingsboek werd herdacht (`Het Utrecht van C.C.S. Crone'), zich plotseling niet goed op kantoor. Hij werkte bij de Enka in Arnhem als redacteur van De Spindop, een tijdschrift voor het personeel van het bedrijf dat kunstvezels produceerde. Ook was hij eindredacteur van de Rayon Revue, een welhaast bibliofiel magazine dat garant moest staan stond voor de pr. Al een paar dagen had hij vage klachten. Een flinke griep leek niet ongebruikelijk bij het invallen van de herfst. De volgende ochtend werd hij met spoed opgenomen in het Sint-Elisabeth's Gasthuis, waar hij die middag overleed. De doodsoorzaak was polio. Hij was pas 36 jaar oud.

In 1944, pas getrouwd, was hij van zijn geboortestad Utrecht naar Amsterdam verhuisd om bij uitgeverij Bruna te gaan werken Toen hij later als adviseur werkzaam was bij uitgeverij Strengholt, verscheen daar in 1947 ook een bundeling van zijn schetsen en korte verhalen De schuiftrompet. In datzelfde jaar vertrok het gezin – er waren inmiddels twee van zijn vier kinderen geboren – naar Arnhem, waar hij Jan H. de Groot zou opvolgen als publiciteitschef bij de onderneming die groot zou worden met terlenka en de viscosespons. Voor dat laatste artikel vervaardigde Crone een folder waarin hij het productieproces simpel beschreef en de voordelen voor het huishouden opsomde. Dat alles onder het motto: Haal de Enka-spons er over! Ook voelde de auteur, wiens zuivere toon door Menno ter Braak was geprezen, zich niet te goed er twee kwatrijnen aan te wijden.

Haal de Enka-spons er over

En geen vuiltje houdt er stand;

Ja, het lijkt wel op getover

Met die spons uit eigen land.

Voor de vaat en voor de ruiten,

Voor het houtwerk en het bad,

Heus, u kunt er niet meer buiten;

Enka, wàt een spons is dat!'

Hij werd lid van de Werkgemeenschap van Arnhemsche Kunstenaars. Samen met Barend de Goede, Jan H. de Groot, Bernard Verhoeven en Johan van der Woude richtte hij een maandblad op voor de werkgemeenschap. Het eerste nummer van De Korenbeurs verscheen in juli 1949. Hoe Crone de verhuizing van de grote stad naar de provincie heeft ervaren is wellicht te achterhalen in het schetsje dat hij in het blad schreef en dat als volgt begint:

,,De vermaarde publicist Herman Schuddelever, die sinds jaar en dag zijn tenten in het hart van Mokum had opgeslagen, voelde zich op zekere dag door een grillig lot van de Amsteloever naar de Arnhemse Rijnkant gedreven, waar hem, toen eenmaal de huizenruilpartij zonder ruizenhuilpartij voor zijn vrouw was verlopen, de hondse taak wachtte in zijn nieuwe omgeving er in te komen.

,,Aan het idee een redelijk grote tuin tot zijn beschikking te hebben en, in plaats van driehoog achter, `huis' te wonen (al heette het hier `beneden') was hij gauw gewend. Moeilijker viel het tot de erkenning te geraken, dat hij in zijn kwaliteit van inwoner der Gelderse provinciehoofdstad provinciaal mocht heten.''

Zijn artistieke vrienden uit Amsterdam willen hem niet meer kennen en een van hen heeft hij `provinciaalweg' toegevoegd: `Was je voeten liever!' En komt tot de conclusie dat je dan echt wel bij de provincialen thuishoort.

De Arnhemse parken kunnen hem wel bekoren. In zijn nalatenschap is een aantekening gevonden over een strijkje dat bij het Sonsbeekpaviljoen – voor Arnhemmers: de theeschenkerij – musiceert: ,,Eén muzikant stelt zich aan de vijver op met zijn trompet. Muziek over het water! Als hij terug komt het applaus. Meisje met vrolijk hondje op haar schoot dat ze met zijn voorpootjes laat applaudisseren.''

Van elke gebeurtenis, observatie of zin die hem trof maakte hij een notitie die hij in een kasboek plakte. Hij rubriceerde, ordende en reviseerde die invallen eindeloos en destilleerde daar dan de tekst uit. In een interview noemde hij als een van de voordelen van zijn methode, dat het hem in staat stelde van iedere zin een voltreffer te maken en aldus in een bestek van enkele bladzijden meer onder woorden te brengen dan anderen in een turf van een roman klaarspelen.

Met de letterkundige wereld van zijn tijd had Crone weinig bemoeienis. Alleen met de Arnhemse Korenbeursredacteuren en Ab Visser onderhield hij contacten. Crone heeft maar een bescheiden oeuvre nagelaten. Zijn verzameld proza telt een paar novellen en een aantal schetsen, goed voor nog geen 200 bladzijden. Maar de geserreerde stijl in combinatie met het hoge gehalte poëzie komt maar weinig voor in de Nederlandse letterkunde.

In een aan Crone gewijd In Memoriam voor de AVRO-radio gewaagde P.H. Ritter van diens vermogen `ons hel en hemel voor ogen in reeksen van details te toveren. En hij verbond de helse en hemelse aandoeningen tot het geheel, dat leven heet'.

Jan Engelman, een broer van Crones moeder, schreef een gedicht bij het overlijden van zijn neef, dat achterop het bidprentje werd gedrukt. Hij verwijst daarin naar het werk bij de Kunstzijde Unie en de novellen `Muziek over het water' en `Het feestelijke leven':

C.C.S., waar jij nu wandelt

Zijn de bomen altijd groen,

Daar wordt kunst noch zij verhandeld

En geen hek is om 't plantsoen.

De muziek, neef Kees, – verbaas je!

Is geen luien van den Dom,

Noch 't rinkelen van 't Klaasje

Met zijn kleine carillon.

C.C.S., nooit wordt het later

In dit eeuwig levensfeest.

God's muziek komt over 't water

En jij zelf bent zuiver geest.

Of Crone behalve door een kleine kring neerlandici en vorsers naar het vooroorlogse Utrecht nog gelezen wordt, weet ik niet. Maar toen ik enige maanden geleden, op zoek naar het graf van die echt vergeten auteur, Daisy Junius, die eveneens in 1951 overleed, op de Arnhemse begraafplaats Moscowa, de zerk van C.C.S. Crone passeerde, lag daar een verse bloem.