Verkeerde studie?

Nee, zeiden mijn ouders, je mag niet naar de sociale academie, daar ben je veel te gevoelig voor. Nee, zeiden ze, wat moet je op de tekenacademie, daar kun je toch niets leren waar je later iets aan hebt en bovendien, al die kunstenaars, dat is toch ook geen milieu voor jou. Nederlands studeren, was mijn volgende voorstel en mijn ouders vroegen of ik wel wist wat dat inhield. In elk geval was er geen sprake van dat ik op kamers zou gaan, van huis uit op en neer reizen mocht misschien, en dan niet op de universiteit maar op de lerarenopleiding. De universiteit leek hun net zo bedreigend voor de zedelijkheid als de kunstacademie, althans voor een meisje, want voor mijn broers golden andere normen.

Ik wist zelf nauwelijks wat ik wou. Ik hield van literatuur en geschiedenis, vandaar mijn voorkeur voor Nederlands. Ik tekende aardige prentjes voor de schoolkrant, vandaar de kunstacademie. Ik zat in de scholierenraad en het was in de jaren zestig, vandaar de sociale academie. Voor de eerste nee ben ik mijn ouders nog steeds dankbaar, over de rest heb ik mijn twijfels. Ik koos, kool en geit sparend, voor een opleiding als bibliothecaresse, denkend daarmee mijn interesse in Nederlands en de sociale academie te kunnen verenigen. Nog vóór de opleiding begon zonk me de moed al in de schoenen toen ik het programma toegezonden kreeg, en zodra ik mijn zwaarbebrilde en dikgekouste klasgenoten en de zompige leraren zag, wist ik al verkeerd gekozen te hebben.

Huiswerk op de eerste dag: het classificatiesysteem van Dewey, dat elke openbare bibliotheek voor zijn indeling hanteert, tot diep in de decimalen van buiten leren (5 staat voor exacte wetenschappen, 5.30 voor fysica, 5.33 voor gas, enzovoorts). Nog steeds word ik opstandig als ik de naam Dewey hoor, en nog steeds word ik radeloos als de catalogus een begerenswaardige titel blootgeeft, die ik dan in een open bibliotheekkast moet opzoeken met een signatuur als 343.8 (492) Egg. Die bibliothekenopleiding was dus snel bekeken, en met een beslistheid die ik achteraf onvoorstelbaar vind gezien de eerdere aarzelingen, zwaaide ik na twee weken om naar de lerarenopleiding Nederlands. Daar heb ik me in vastgebeten met maar één doel: toestemming te krijgen van mijn ouders om naar Amsterdam te gaan en naar de universiteit. Dat lukte nadat ik de zogenaamde M.O.-A-akte behaald had, een soort tweedegraads-bevoegdheid voor leraren. Over die twee verknalde weken heb ik nog altijd een slecht gevoel, van vele jaren studie daarna heb ik genoten, zowel op de lerarenopleiding als op de universiteit.

Mijn dochter doet dit jaar eindexamen. Nee, ik zal niet als mijn ouders een studie gaan verbieden, heb ik me voorgenomen. `Wat wil je volgend jaar gaan doen', vraag ik haar enige malen per week sinds september. Ik weet dat sommige opleidingen al heel vroeg vol raken, en dat er soms voor de toelating werkstukken gevraagd worden, dus ze moet er op tijd bij zijn. `Weet ik niet,' is steevast haar antwoord. Het gaat me slecht af dit dan maar zo te laten, en af te wachten tot zíj aan een keuze toe is. `Moeten we niet eens naar een beroepsadviesbureau?' stel ik haar voor. `Waarvoor', zegt ze, `ik weet toch wél wat ik níet wil.' Daar heb ik zo snel geen antwoord op.

Dan zie ik in de krant dat er een `landelijke beurs voor studie- en beroepskeuze' is in Utrecht. Daar moet ze heen, vind ik. Gelukkig heeft de decaan van haar montessorischool al besloten dat de scholieren er een lesdag om mogen verzuimen. Ik doneer een flink bedrag voor treinreis, entree en foerage, en wacht af. Als ik thuis kom , ligt ze op de bank. `Hoe was het?' vraag ik. `Pijn aan mijn voeten,' is het antwoord. Dat betekent dat de informatie overdonderend was. Ze overhandigt me een plastic tas met drie kilo brochures, intekenformulieren, ludieke bladwijzers, kleurige balpennen, lollies en bonnen voor nog meer informatie. Er zijn zoveel voorlichtingsdagen van universiteiten, academies en hogescholen dat je er een heel jaar mee zou kunnen vullen. Moedertje, moedertje, houd ik mezelf voor, denk er wel aan dat niet jíj moet kiezen maar zíj. Ze laat jou nu wel al die informatie doorflossen, maar uiteindelijk beslist zij toch. Stap toch niet in de schoenen van je ouders! Maar ik werk het materiaal toch door tot mijn ogen vlekken zien. Wat moet iemand die net zeventien geworden is, uit dit overladen pakhuis kiezen? Wat zou het makkelijk zijn als je een kind had dat een geboren pianist of horlogemaker was, of een wiskundig genie of kroonprins, dan hoefde je niet zoveel te overwegen.

Ik bel ten einde raad met de mentor van haar school, bij wie, zoals zo deftig in de schoolgids staat, de leerlingen `individueel terecht kunnen met vragen met betrekking tot hun toekomst'. Ik maak een afspraak en stel mijn dochter voor een voldongen feit. `Met jou naar de mentor? Daar is geen sprake van.' We sluiten een compromis: ik ga alleen en via een zijdeur naar de mentor, zij zal vijf minuten later binnenkomen. In die vijf minuten dat ik alleen ben met de mentor probeer ik te inventariseren welke mogelijkheden er zijn voor mijn dochter met haar Cultuur & Maatschappij-profiel. De mentor antwoordt snel en adequaat. Dan komt mijn dochter binnen. De rationele aanpak wordt omgewisseld voor de montessoribenadering. `Je moeder vindt dat en dat maar wat denk je zelf?' `...' `Wil je nog een aanvullend pakket?' `In geen geval.' `Waar denk je het meest aan?' `Eigenlijk aan niets.' `Waar zou je dan wel voor voelen?' Ja, ze zou wel voelen voor een jaar nietsdoen. De montessorimentor gaat er welwillend op in: `Ja, dat is heel goed, een jaar bezinnen, maar dan moet je wel een plan maken van wat je in dat jaar wil doen.'

Nu word ik alert. Wacht, wacht, denk ik, straks meent mijn dochter dat ik dat plan ondersteun, hier moet even opgetreden worden. Alle montessorivriendelijkheden met voeten tredend, zeg ik ronduit dat een jaar nietsdoen niet bespreekbaar is. De mentor schrikt van de ferme taal, maar ze tovert een alternatief uit de hoge hoed: een zogenaamd oriëntatiejaar voor scholieren die het echt niet weten. Die kunnen een jaar aan allerlei studies ruiken. Ze krijgen er geen diploma voor, maar de studiekeuze zou daarna een stuk gemakkelijker zijn.

Met weer een nieuwe vracht informatie en een ontevreden gevoel ga ik naar huis. Da steh' ich nun, ich armer Tor! und bin so klug als wie zuvor, zoals de geleerde Faust zei. Is dit niet de omgekeerde wereld: omdat er zoveel mogelijkheden zijn de studenten een jaar laten studeren om nog een jaar extra te aarzelen? Maar hoe te kiezen uit honderden studies en beroepsopleidingen? Ik verval in bespiegelingen: bij de geboorte van een kind zijn nog alle mogelijkheden open, maar daarna zijn de ouders alleen nog maar bezig met inperken. Opvoeden heeft een trechtervorm en ik ben nu bij de tuit van de trechter, maar weet niet of ik er goed aan doe nu door te stampen. Ik twijfel aan mijn capaciteiten: is het niet bespottelijk dat een moeder die aan de universiteit werkt geen vat heeft op het immense aanbod? Ik heb moedeloze studenten door de studie getrokken, ik zit luie studenten op hun huid tot ze opgelucht hun stukken inleveren, en mijn eigen dochter zou ik niet fatsoenlijk kunnen adviseren? Het kost me moeite om het toe te geven.

    • Marita Mathijsen