Sterke politiek tacticus in een boze wereld

De minister van Defensie, Frank de Grave, is geen dossiervreter, maar hij kan goed rekenen en hij is politiek heel behendig. Onder zijn leiding heeft Defensie een moeilijke tijd afgesloten.

Ruim drie jaar na zijn ook voor hemzelf verrassende aankomst op het ministerie van Defensie, en na de behandeling van zijn vierde begroting in de Tweede Kamer kan Franciscus Hendrikus Gerardus de Grave (46) met een gerust hart op de komende Kamerverkiezingen wachten. Hij is verzekerd van een goede plaats op de kandidatenlijst van de VVD.

De Kamer kent hem als een gewiekst en beweeglijk man, die weliswaar geen veiligheidsstrateeg is en wiens hart vermoedelijk niet helemáál naar Defensie gaat, maar die steeds een scherp oog heeft voor wat in het politieke spel haalbaar of wenselijk is. Met fractieleider Dijkstal en vice-premier Jorritsma behoort De Grave tot een groep VVD'ers die in 1982 Kamerlid werden en de zware verkiezingsnederlaag van 1986 meemaakten. In de huidige coalitie heeft De Grave bijzondere papieren, omdat hij al twintig jaar geleden voor `paars' was, lang voordat paars als politieke kleur bestond.

Zijn ministerschap, waaraan hij onder moeilijke omstandigheden moest beginnen, is zo gezien best een succes geworden. Voor een rijtje naoorlogse voorgangers bleek Defensie een politieke valkuil, maar voor De Grave is deze klus een handzaam tussenstation gebleken in zijn loopbaan. De in Nunspeet geboren, en in Assen opgegroeide Amsterdammer, wiens grootvader en stiefvader militair waren, is er namelijk in geslaagd zijn ministerie behoorlijk uit de publieke en publicitaire vuurlinie te krijgen, waarin het onder zijn voorgangers Voorhoeve (VVD) en Ter Beek (PvdA) weer eens was terechtgekomen.

De internationale situatie – Bosnië en Kosovo en de plannen van de Europese Unie voor versterking van de militaire samenwerking bijvoorbeeld – hielp bij deze imago-revalidatie. Maar De Grave heeft daar ook zelf aan bijgedragen, onder meer door het tempo en de besluitvaardigheid waarmee hij, al in het najaar van 1999, een Defensienota wist af te ronden.

Voorjaar 1999 had hij zijn bevelhebbers al weten te binden aan een eerste concept, de zogeheten Hoofdlijnennotitie. Annex aan het werken aan de Defensienota organiseerde hij een maatschappelijk debat over de toekomst van de krijgsmacht, dat weinig nieuwe gezichtspunten opleverde, maar dat zijn ministerie toch een tijd lang tamelijk positief in de publiciteit hield.

Bij zijn komst op Defensie tuimelden de problemen bijna dagelijks over elkaar heen. Het ministerie was sinds de in 1993 als budgettair minimum beoordeelde Prioriteitennota van Ter Beek niettemin jaarlijks onder het snoeimes gelegd, hoewel de overgang van een dienstplichtigen- naar een vrijwilligerskrijgsmacht én een accentverlegging van verdediging naar crisisbeheersing verwerkt moesten worden. Bovendien lag sinds de zomer van 1995 de schaduw van `Srebrenica' zwaar over De Grave's departement en eiste het regeerakkoord-1998 onder druk van de coalitiefracties van PvdA en D66, en ondanks alle budgettaire horreur die er al was, tot 2003 nog eens jaarlijks 375 miljoen structureel aan bezuinigingen. Want de minister mag zich dan sinds `Kosovo' verheugen over een andere houding van de EU-partners, en in het voetspoor daarvan van het kabinet en de PvdA en D66 in de Kamer, in feite heeft hij de afgelopen jaren véél meer bezuinigd dan de enkele honderden miljoenen die hij er sinds najaar 2000 heeft bijgekregen.

Dat extra geld ging en gaat trouwens vooral naar het personeelsbeleid van De Grave's partijgenoot Van Hoof, die als staatssecretaris van Defensie zowel het materieel als het personeel in zijn portefeuille heeft en onophoudelijk worstelt met grote wervingsproblemen. De rolverdeling van de beide heren is overigens bijzonder: De Grave is er voor de politieke hoofdlijnen en de presentatie van het beleid, terwijl zijn staatssecretaris vrij onopvallend het zware alledaagse werk met de materieeldossiers, de vakbonden en de werving doet. Zo moet er dit najaar een besluit vallen over de eventuele vervanging van de F-16 (voorzien in 2010). De voorbereiding daarvan rust nagenoeg geheel op de schouders van Van Hoof.

Als manager en politiek tacticus trok De Grave najaar 1998 vrijwel direct zijn plan. Hij wist de hitte van het elke zomer in de media weer oplaaiende Srebrenica-debat enigszins te temperen door een fact finding-commissie onder leiding van de vroegere PvdA-minister Van Kemenade in te stellen. Een foutje was dat hij oorspronkelijk een van zijn voorgangers, de CDA'er De Ruiter, had benaderd als commissievoorzitter, terwijl die in 1995 nu juist medeopsteller was geweest van het gekritiseerde Debriefing-rapport over Srebrenica.

Een parlementaire enquête kwam er niet, het tweede kabinet-Kok en de Kamermeerderheid bleven erbij dat eerst een breed onderzoek van het NIOD (oorlogsdocumentatie) klaar moet zijn.

Nu dat onderzoek pas midden volgend jaar gereed zal zijn, zal De Grave het debat daarover waarschijnlijk niet meer beleven als minister van Defensie. Misschien roept hij tegen die tijd van een andere plek wel vriendelijk in de richting van Defensie: Tabee, boze wereld.

Hoe dat ook zij, De Grave is een man die graag en goed met cijfers werkt en die dat als wethouder van financiën (Amsterdam, 1990-1996) en als staatssecretaris van Sociale Zaken (1996-1998) al had laten zien. De manier waarop hij de eisen van het regeerakkoord in zijn Defensienota wist te realiseren, imponeerde de Tweede Kamer van links tot rechts. Wat overigens niet betekende dat iedereen het ook geheel met de inhoud van de nota eens was, terwijl er ook twijfels bestonden en bestaan over de vraag of Defensie in de planningsperiode tot 2010 straks niet zwaar onder druk komt te staan wegens allerlei naar latere jaren verschoven investeringen. Maar ook daarvoor geldt dat De Grave tegen die tijd misschien vriendelijk van een andere plaats naar Defensie roept: Tabee, boze wereld.

Frank de Grave was de afgelopen jaren op Defensie geen man van grote concepten. Daarvoor kende hij, anders dan zijn voorganger Joris Voorhoeve, de dossiers niet goed genoeg en daarvoor was zijn belangstelling ook niet groot genoeg. Maar als politiek practicus wist hij te scoren. Dat is trouwens een werkwoord dat hij graag vervoegt, liefst in de eerste persoon enkelvoud. En soms met recht: de sfeer op zijn ministerie en de stemming in de krijgsmacht zijn verbeterd en Defensie staat beter op de kaart dan toen hij begon.

Kortom, voor de korte termijn, voor de politieke dagmarkt als het ware, gelden voor velen toch vooral de treffende woorden van Rijk de Gooijer uit de reclame voor Paturain: Goed gedaan, jochie!

    • J.M. Bik