Per worm

De chemicus Louis Pasteur werd door zijn medische tegenstanders er vaak van beschuldigd dat hij alleen laboratoriumonderzoek deed. Zijn veldwerk met miltvuursporen getuigt van het tegendeel.

Schaapherders van Beauce, een streek in het hart van Frankrijk, wisten dat schapen op bepaalde weilanden vaak miltvuur kregen, zelfs als deze een aantal jaren niet begraasd waren. In Frankrijk waren ook enkele `gevaarlijke bergen' berucht om deze reden. Deze miltvuurhaarden waren de basis van bezwaren tegen de opvatting dat bepaalde staafjes die in het bloed van de zieke dieren waren gevonden, de ziekte verwekten. Waarom zou de besmetting beperkt blijven tot die `gevaarlijke bergen'?

De Franse bioloog Davaine ontdekte in 1863 de miltvuurbacillen en de Duitse bacterioloog Koch in 1876 ook de sporen ervan. De sporen – overlevingsstadia van bacteriën – werden aan de buitenzijde van het karkas gevormd. Het lag voor de hand dat deze sporen de ziekte konden overdragen. Pasteur was ontvankelijk voor deze theorie door zijn experimenten met de verwekker van de zijderupsziekte, die ook sporen vormt. Toen hij zijn aandacht op miltvuur richtte, stelde hij in het lab eerst vast dat schapen die gevoerd werden met voedsel dat opzettelijk was besmet met miltvuur, de ziekte ook kregen. Daarna wilde hij onderzoeken hoe dieren in het veld besmet konden worden met het miltvuur. Het was daarvoor nodig om te weten of miltvuursporen aanwezig waren in de `vervloekte velden'.

In het departement Beauce hadden de schaapherders de gewoonte hun dieren te begraven waar deze gestorven waren. Maar hoe konden schapen besmet raken met sporen die mét de dode dieren begraven waren?

Het was bekend dat de sterfte het hoogst was als de dieren graasden na de graanoogst. Pasteur besefte dat de droge stoppels in het veld vaak oppervlakkige wonden gaven, die op zichzelf onschuldig waren, maar wel de miltvuursporen een kans boden om miltvuur te initiëren.

Pasteur liep eens bij Chartres op een stoppelveld en zag dat een deel ervan een andere kleur had. Hij kreeg toen te horen dat daar het jaar ervoor schapen met miltvuur begraven waren. Toen hij er uitwerpselen van wormen zag, vroeg hij zich af of deze wormen miltvuursporen aan de oppervlakte brachten. Bij wijze van experiment injecteerde hij toen de inhoud van een van de wormen in cavia's. Die kregen daarna inderdaad miltvuur.

In 1881 vaccineerde hij als eerste schapen tegen miltvuur. Het bleek de eerste werkzame entstof tegen een bacteriële ontsteking. Toen Pasteur in 1889 het Institut Pasteur in Parijs opende zei hij: ,,N'avancez rien qui ne puisse être prouvé d'une façon simple et décisive.''

Onlangs werd een Amerikaan die aan miltvuur overleed, begraven. Zou cremeren niet veiliger zijn geweest?

    • Pek van Andel