METEORIETENREGEN TROF AARDE BIJNA HALF MILJARD JAAR GELEDEN

Ongeveer 480 miljoen jaar geleden is de aarde overvallen door een geweldige regen van meteorieten. Dat blijkt uit onderzoek waarover door Mario Birger Schmitz (een geochemicus van de Universiteit van Göteborg) en Mario Tassinari (van het Väner Museum in Lidköping) werd bericht op de jaarlijkse bijeenkomst van de International Meteorological Society in Rome. Het bombardement met brokstukken waarvan sommige gevonden exemplaren enkele decimeters groot zijn maar die waarschijnlijk ook kilometersgrote brokstukken omvatten, moet het gevolg zijn geweest van een botsing tussen twee hemellichamen van aanzienlijke afmetingen in de asteroïdengordel.

Uit het Ordovicium, de geologische periode waarin de meteorietenregen plaatsvond, zijn niet erg veel gesteentepakketten bewaard gebleven, en de wel bewaard gebleven pakketten zijn vaak slecht bruikbaar. In Zuid-Zweden, bij Kinnekulle, is echter een groeve geëxploiteerd van kalkstenen uit deze periode; deze kalkstenen, die in een ondiepe zee werden afgezet, zijn wel voor diverse doeleinden bruikbaar. Door de voortgaande exploitatie van de groeve worden er voortdurend nieuwe vlakken van het gesteente ontsloten. Daarbij zijn in de afgelopen tien jaar talrijke meteorieten zichtbaar geworden, waarvan er zo'n veertig voor geochemisch en mineralogisch onderzoek ter hand zijn gesteld aan Birger Schmitz.

De meteorieten zijn alle afkomstig van twaalf niveaus in het kalkpakket; dit gedeelte van het kalkpakket werd volgens een schatting van Schmitz, op basis van de evolutie van de trilobieten in de kalksteen, gevormd in ca. twee miljoen jaar. Uit deze spreiding in de tijd kan eenvoudig worden geconcludeerd dat de gevonden meteorieten niet afkomstig kunnen zijn van een groot hemellichaam. Aan de andere kant duidt het veelvuldige voorkomen van relatief grote meteorieten in de Zweedse kalksteen erop dat er een bijzondere situatie heeft bestaan: de frequentie van de brokstukken is namelijk zo'n 25 tot 100 maal zo hoog als de frequentie waarmee dat nu (en over verder bijna de gehele bekende aardgeschiedenis) gebeurde.

De `Zweedse' meteorieten blijken met onder meer hun lage ijzergehalte te vallen in een klasse meteorieten waartoe ook veel chondrieten behoren. Deze worden gekenmerkt door mineralen die wijzen op blootstelling aan een enorme schokgolf, die gelijktijdig moet zijn opgetreden met de Ordovicische meteorietenregen. Dat kan volgens Schmitz worden verklaard door een botsing tussen twee hemellichamen, waarvan er één uiteenviel in talloze brokstukken die vrijwel alle in eenzelfde baan terechtkwamen, maar waarvan veel klein `gruis' in een baan kwam die door de aarde werd gekruist. Doordat de aarde alleen met dit `gruis' te maken kreeg was de invloed op het leven nihil.

    • A.J. van Loon