Het hondertbord blijft knagen

Het nieuwe woordenboek van het vroegste Middel-nederlands, dat van de dertiende eeuw, bevat voor tachtig procent Vlaams. `Bij ieder woord kom je in een andere wereld terecht.'

Hij zou inmiddels ook wel dertiende-eeuws Nederlands kunnen spreken, denkt Willy Pijnenburg. ``Als je er tien jaar lang zo intensief mee bezig bent geweest, dan kun je al die termen en zinswendingen wel dromen.'' Pijnenburg werkt bij het Instituut voor Nederlandse Lexicologie, hij is de hoofdredacteur van het Vroegmiddelnederlands Woordenboek, dat het Nederlands van de dertiende eeuw beschrijft. Dit vierdelige boek, dat zesduizend pagina's beslaat, is kortgeleden verschenen bij de Groningse uitgeverij Gopher. De luxe editie met lederen kaft kost 1750 gulden, de sobere editie 1050 gulden.

``Natuurlijk'', zegt Pijnenburg, ``we hadden al het Middelnederlands Woordenboek van Verdam en Verwijs, dat tussen 1885 en 1929 in elf delen verschenen is. Maar daarin is de dertiende eeuw onderbelicht. Verdam en Verwijs waren vooral geïnteresseerd in literaire teksten. Voor ambtelijke teksten was nauwelijks aandacht. Bovendien was er in die tijd nog niet zoveel ambtelijk materiaal uitgegeven. Veel daarvan is pas na de Tweede Wereldoorlog verzameld. De dertiende eeuw is in dit verband heel interessant, omdat het de eeuw was waarin men bij het schrijven van oorkonden en andere ambtelijke stukken overschakelde van het Latijn naar het Nederlands. Dat begon rond 1200 in Vlaanderen, tussen 1250 en 1260 volgden Holland en het westelijk deel van Belgisch Brabant, en rond 1270 schakelden ook Utrecht en Limburg over op het Nederlands.''

Het Vroegmiddelnederlands Woordenboek leunt zwaar op het pionierswerk van de Belg Maurits Gysseling. Pijnenburg heeft nog met hem samengewerkt. ``Gysseling ging vanaf de jaren vijftig systematisch op zoek naar ambtelijke teksten uit de dertiende eeuw. Dat is in België nog goed te doen, daar blijkt er nog heel veel in de archieven te liggen, veel meer dan in Nederland. Gysseling fietste uit Gent naar al die kerken en kloosters. Later ging hij ook, met de trein, naar de Nederlandse en Duitse archieven.''

Gysseling was daar helemaal van bezeten, zegt Pijnenburg. ``Hij wist ook ontzettend veel. Ik heb regelmatig bij hem gegeten en dan vond ik het altijd merkwaardig dat hij als Belg totaal niet om eten gaf. Zijn vrouw kookte prachtig, maar als ze vroeg of het smaakte, zei hij alleen maar: `Och, ja.' Hij stak het eten mechanisch in zijn mond en liet mij intussen de nieuwste oorkondes zijn. Hij vond alleen wetenschap belangrijk.''

Uiteindelijk wist Gysseling 2200 ambtelijke documenten bijeen te brengen. Dat is heel erg veel, zegt Pijnenburg. ``Zeker als je het vergelijkt met het Duitstalige gebied, dat veel uitgestrekter is. Daar hebben ze er vierduizend.''

Het dertiende-eeuwse Nederlands dat we nu nog hebben, is voor tachtig procent Vlaams. ``De rest komt voornamelijk uit het aan Vlaanderen grenzende deel van Brabant of Zuid-Holland. Daarnaast is Limburg goed vertegenwoordigd, met het literaire werk van onder anderen Van Veldeke. Dat is geschreven in een typisch soort Zuidoost-Nederlands, dat op de grens ligt van het Nederlands en het Duits.'' Van de literaire werken zijn overigens alleen een paar handschriften opgenomen die daadwerkelijk in de dertiende eeuw eeuw zijn vervaardigd en niet de vele latere afschriften, omdat het taalgebruik daarin meestal aan de smaak van de tijd werd aangepast en gemoderniseerd. Het lexicografisch bewerken van al deze teksten heeft uiteindelijk 27.000 trefwoorden opgeleverd, waaronder 9.000 persoons- en plaatsnamen, die voor het gemak ook in het woordenboek zijn opgenomen.

``Het leuke bij het maken van een woordenboek is dat elk woord anders is'', vertelt Pijnenburg. ``Bij ieder nieuw woord kom je in een andere wereld terecht. Veel teksten uit die tijd gaan bijvoorbeeld over de lakenweverij. Er zijn officiële stukken, de `lakenkeuren', waarin precies wordt aangegeven hoe een laken eruit moest zien, hoe het gevouwen moest worden, want iedere stad had zijn eigen vouw, en hoe de kwaliteit en herkomst gecontroleerd moesten worden. Sommige teksten gaan uitvoerig in op onderdelen van weefgetouwen. Wij zijn daarom op zoek gegaan naar zo'n oud weefgetouw. Dat viel niet mee. Hier in Leiden vonden we er een uit de zestiende eeuw. Wat toch weer drie eeuwen later is. We zijn gaan kijken, hebben ons laten uitleggen hoe het werkt en zo zijn we tot een redelijk goede beschrijving gekomen van al die onderdelen en bewerkingen.''

Maar soms tast de woordenboekmaker in het duister. ``Als we het echt niet weten, zetten we dat er eerlijk bij'', bekent Pijnenburg. ``We hadden een rekening uit Dordrecht, over het opknappen van een schip. Daar stond precies in hoeveel geld ieder onderdeel kostte: zoveel geld voor de riemen, zoveel geld voor het roer. Er was ook sprake van een hondertbord. Wij hebben geen idee wat dat zou kunnen zijn. Het enige dat we erover kunnen zeggen is: het zit aan zo'n schip en het is van hout.''

Brazielhout

Planten- en dierennamen kunnen ook lastig zijn. Hetzelfde plantje kan met tien verschillende namen worden aangeduid, en omgekeerd kan dezelfde naam op tien verschillende planten slaan. ``Probeer daar maar eens wijs uit te worden'', zegt Pijnenburg. ``Het woord aardappel kenden ze al, terwijl de aardappel pas veel later uit Amerika geïmporteerd werd. Dus bedoelden ze met een aardappel iets anders: de alruinwortel of soms ook het zogenoemde varkensbrood. In de teksten over de scheepsbouw kom je ook heel vaak het woord brazielhout tegen. Dan denk je: hoe kan dat? Brazilië was toch nog niet ontdekt. Maar nee, het is andersom: Brazilië werd Brazilië genoemd, omdat er zoveel brazielhout stond. Wiet is ook zo'n woord dat je niet in de dertiende eeuw zou verwachten. Het betekende toen natuurlijk niet `marihuana', maar gewoon `onkruid'.''

Minder concrete woorden, zoals godsdienstige en mystieke termen, zijn soms ook moeilijk te interpreteren. ``In Sinte Lutgart, dat qua taal één van de mooiste teksten is uit die tijd, wordt om de haverklap het woord caritatelike gebruikt. Dat betekent natuurlijk liefdadig. Maar het heeft ook allerlei andere betekenissen: zorgzaam, liefdevol, edelmoedig. Het wordt iedere keer weer net iets anders gebruikt en het is vaak moeilijk te vatten wat het nu precies betekent.''

Nu het Vroegmiddelnederlands Woordenboek voltooid is, zijn Pijnenburg en zijn redacteuren begonnen met wat het sluitstuk moet worden van de Nederlandse historische lexicografie: een Oudnederlands woordenboek. Van het Oudnederlands, het Nederlands dat vóór 1200 werd gesproken, zijn allerlei kleine brokstukjes overgeleverd. Het liedesversje `Hebban olla vogala' is ongetwijfeld het bekendste fragmentje. Maar er zijn ook christelijk-religieuze tekstjes bewaard gebleven, zoals een doopbelofte uit de achtste eeuw (`Ec gelobo in Got alamehtigan fadaer'), rituele spreuken om wormen te verdrijven en bloedingen te stoppen en allerlei andere zinnetjes en woordjes, die plotseling opduiken in Latijnse teksten.

Daarnaast zijn er twee grotere teksten beschikbaar: de Wachtendonkse Psalmen, een woord-voor-woord-vertaling van vijftig psalmen uit de tiende eeuw, en het Leidse handschrift van `Willeram' uit 1100, een bewerking van het Hooglied in een curieus mengsel van Oudnederlands en Oudhoogduits.

Vaak is het moeilijk om vast te stellen of een tekst Oudnederlands is of bijvoorbeeld Oudhoogduits of Oudsaksisch. Pijnenburg: ``Naarmate je teruggaat in de tijd, zie je dat die Germaanse talen steeds meer op elkaar gaan lijken. Over een aantal van die oude teksten is dus veel discussie. Gysseling heeft voor ons het Oudnederlandse materiaal bijeengebracht, maar we realiseren ons dat die verzameling zijn persoonlijke visie is. Daarom zijn we dat nu aan het checken met een internationaal panel. En dan kijk ik vooral naar onze Oosterburen. Er zijn Duitsers die dit als specialisme hebben: de afgrenzing van het Oudsaksisch of Oudhoogduits ten opzichte van het Oudnederlands. Die hebben allemaal, merkwaardigerwijs, een nogal liberaal standpunt. In de negentiende eeuw, toen de Duitsers al die oude teksten zijn gaan verzamelen en uitgeven, was hun standpunt: al het oude Nederlandse materiaal is eigenlijk ook een soort Duits. `Zie dat nu maar weer eens terug te krijgen', zeg ik dan wel eens, en daar moeten we altijd hard om lachen. Die Duitsers zeggen dan: `Pak het maar terug, hoor.' Dus voor het woordenboek nemen we niet alleen het Oudnederlands, maar ook een paar plukken eromheen: ook wat Oudsaksisch en wat Oudhoogduits dat erop lijkt. Vervolgens geven we overal netjes aan wat de verschillende meningen over die teksten zijn.''

langue inconnue

Het is niet ondenkbaar dat vroeg of laat nog nieuw Oudnederlands of vroeg-Middelnederlands materiaal boven water komt. ``De kloosters en kerken zijn goed doorzocht'', stelt Pijnenburg vast. ``Maar de privé-archieven van adellijke huizen, dat is nog niet goed uitgezocht. Die gaan in België vaak terug tot die tijden. Ook zou in de archieven van Noord-Frankrijk nog het een en ander kunnen liggen. De Fransen zijn niet zo heel zorgvuldig omgesprongen met Nederlandstalig materiaal. Ze hebben dat vaak als ongeclassificeerd of als langue inconnue in een hoek gegooid. Dat is nooit goed uitgezocht. En dan zijn er nog twee grote zaken. De keizers van Oostenrijk, die zich in 1797 uit de Zuidelijke Nederlanden hebben teruggetrokken en hun archieven toen naar Wenen hebben meegenomen. En de tsaren, die eeuwenlang kopers van handschriften zijn geweest. Wat er precies in Sint Petersburg en de Baltische landen ligt, is onbekend. En aan het eind van de Tweede Wereldoorlog hebben de Russische en Poolse troepen een hele hoop materiaal uit Duitsland versleept, waaronder ook Nederlandstalig materiaal.''

Pijnenburg meent te weten dat er op dit ogenblik zelfs iemand heel gericht op zoek is naar het origineel van de Wachtendonkse Psalmen, want van dit unieke, tiende-eeuwse handschrift is nu alleen een zestiende-eeuwse kopie bekend. ``Wie weet ligt het gewoon ergens in een familie-archief. Je weet nooit wat er nog bovenkomt. Zelfs van de Gothische bijbel is een paar jaar geleden nog een blad teruggevonden.''

Het Oudnederlands Woordenboek moet in 2007 klaar zijn, want tegen die tijd gaat Pijnenburg met pensioen. Niet dat al het werk dan gedaan is. Pijnenburg denkt dat het ook langzaamaan tijd wordt voor een goede grammatica van het Oudnederlands. ``Er is er wel een, maar die is heel fragmentarisch. Inmiddels wordt gewerkt aan een nieuwe Oudnederlandse grammatica. Verder denk ik dat bepaalde taalhistorische ideeën over het Middelnederlands herzien moeten worden. De meest recente wetenschappelijke grammatica van het Middelnederlands is ook alweer veertig jaar oud.''

    • Berthold van Maris