Geclusterd front

Het is een bekend gegeven dat bij een oorlog op sommige momenten het thuisfront even belangrijk is als het front zelf. Zo'n moment lijkt nu aangebroken in de strijd tegen het terrorisme die Amerikanen en Britten sinds drie weken vooral boven Afghaans grondgebied voeren. Met het uitblijven van zichtbare resultaten, neemt de twijfel over de acties in de westerse wereld toe. De enquêtes in diverse landen zijn hierover duidelijk. Opmerkelijk was bijvoorbeeld een peiling van het Britse televisiestation Channel 4, deze week, waaruit bleek dat 53 procent van de bevolking in het Verenigd Koninkrijk vindt dat het bombarderen van militaire doelen in steden moet worden gestaakt. Een enquête van het dagblad The Guardian bracht aan het licht dat 54 procent van de ondervraagden van mening is dat er een pauze in de bombardementen moet worden aangebracht om humanitaire hulpoperaties mogelijk te maken.

Ook in de Verenigde Staten zelf waar met de aanslagen van 11 september alles is begonnen, worden steeds vaker vraagtekens gezet bij de effectiviteit van de acties. Over de noodzaak van optreden als zodanig bestaat weliswaar nog altijd weinig twijfel, maar zorgen over de vraag hoe het moet eindigen en met welke middelen, worden nu meer geventileerd dan enkele weken geleden.

In Nederland is het niet anders. Dat bleek deze week in de Tweede Kamer bij de behandeling van de begroting van het departement van Buitenlandse Zaken. De toon van de Kamerleden was een andere dan in de debatten die werden gevoerd vlak na de aanslagen. Er blijft sprake van brede steun voor de acties van Amerikanen en Britten, maar anders dan in het begin volgt er na het uitspreken van die steun geen punt, doch een komma. Het gaat nog om nuances, maar de solidariteit is meer geclausuleerd.

Op zichzelf is dit een goede ontwikkeling. Parlementariërs dienen niet te debatteren in een sfeer waarbij het uiten van kritische vragen gelijk wordt gesteld met een negatief oordeel. Dit was bij de eerste debatten direct na de terroristische aanslagen soms wel de stemming. Zeker in een situatie waarbij de informatievoorziening over wat er aan de militaire kant gebeurt toch al beperkt is (om legitieme redenen overigens), dient een parlement zijn kritische houding niet te verliezen. Wat dit betreft was het verfrissend dat deze week ook de VVD in het debat over Buitenlandse Zaken op een enkel punt nadere opheldering vroeg over de gang van zaken in Afghanistan.

Deze week is eveneens duidelijk geworden dat het nationale debat over de internationale gewapende strijd tegen het terrorisme zich in toenemende mate zal concentreren rondom de veel gehanteerde begrippen proportioneel en effectiviteit. De vraag is opgeworpen of het gebruik van zogeheten clusterbommen nog wel binnen deze criteria valt. Premier Kok deed er gisteren op zijn wekelijkse persconferentie na afloop van de ministerraad alles aan om de indruk weg te nemen dat over het gebruik van dit wapen maar enige discussie binnen het kabinet zou zijn gerezen. Hij had heel veel woorden nodig voor de simpele mededeling dat er bij het kabinet geen twijfels bestonden. Het is echter Kok zelf geweest die met zijn uitspraken in Pakistan dit weekeinde voeding heeft gegeven aan de verhalen over Nederlandse bezorgdheid.

Er was getuige de uitlatingen van Kok gisteren op zijn persconferentie weer veel verkeerd begrepen en uitgelegd. Het probleem is echter wel dat Kok zich in deze crisis al vaker nader heeft moeten verklaren. Zo moest hij in september tijdens de Algemene Beschouwingen zijn woorden terugnemen dat Nederland in oorlog was.

Nederland staat frontaal achter de acties, is de boodschap die het kabinet wil uitdragen. Maar juist door multi-interpretabele uitlatingen en gedragingen heeft het kabinet bij de buitenwereld meer dan eens de indruk gewekt dat dit hortend en stotend gebeurt. Kok zou veel problemen kunnen voorkomen door van meet af aan geen enkele onduidelijkheid over zijn woorden en dus intenties te laten bestaan. Dat bespaart een hoop ellende achteraf.