Een Poolse Provocateur

Volgende week krijgen de Poolse ex-dissident Adam Michnik en de Italiaanse schrijver Claudio Magris in Amsterdam de Erasmusprijs voor hun essayistiek. Michnik zat zes jaar gevangen in het communistische Polen, hij speelde een belangrijke rol bij de omverwerping van het regime en is hoofdredacteur van de krant Gazeta Wyborcza. 'De beste krant van Warschau tot Wladiwostok.'

'Complete idioten zijn het! We hebben het IJzeren Gordijn toch niet opgehaald om er een ander voor in de plaats te hangen?' Na twee uur onafgebroken praten en roken springt Adam Michnik op uit zijn stoel en begint wild met zijn armen te zwaaien. 'Dat is toch te stom voor woorden!' De gedachte dat zijn grote Europese droom verpest zal worden door kortzichtige bureaucraten maakt hem razend. Het Polen van de Europese Unie moet volgens de blonde dissident juist een draaischijf gaan vormen tussen Oost en West. De ambtenaren in Brussel eisen dat Polen zijn oostgrenzen hermetisch afsluit om het fort Europa te beschermen. Ze weten Michnik tegenover zich: 'Geen enkele bureaucratie kan ons zijn wil opleggen. We hebben afgerekend met de Moskouse bureaucratie en we zullen dat ook doen met de Brusselse als dat nodig is.'

Adam Michnik, geboren in Warschau in 1946, is zijn hele leven al een dwarsligger. In 1968 was hij de razendslimme student die de communistische autoriteiten met zijn kritiek en zijn organisatietalent het bloed onder de nagels vandaan haalde. Hij werd één van de grondleggers van het anticommunistische verzet dat in 1980 de vrije vakbond Solidariteit voortbracht. In 1989 ging hij uiteindelijk met de communisten om de tafel zitten om net zo lang te praten tot de dictatuur een zachte dood gestorven was.

Michnik is ook de eeuwige provocateur. Toen de anticommunisten aan de macht kwamen, was hij de eerste om het gesprek aan te gaan met beladen figuren als ex-president Wojciech Jaruzelski, de communistische generaal met de zonnebril die in 1981 de staat van beleg uitriep, de vrije vakbond Solidariteit verbood en de hele Poolse oppositie achter slot en grendel liet zetten. En als Europa denkt het arme, achtergebleven Polen naar haar hand te kunnen zetten, kan het rekenen op een terechtwijzing van Michnik. 'Europa moet juist blij zijn met onze inzichten. Wij weten hier toch veel beter wat er leeft en speelt in Wit-Rusland, Oekraïne en Rusland.

Wij hebben daar een veel beter gevoel voor.'

Drie verschillende merken zware sigaretten heeft Michnik voor zich op tafel liggen en hij steekt de ene met de andere aan. Hij ontvangt ons in zijn kleine, benauwde werkkamer op de redactie van Gazeta Wyborcza, de invloedrijkste krant in Polen. Gazeta is zijn succesverhaal: 'De beste krant van Warschau tot Wladiwostok', zegt hij glunderend.

Tientallen oorkondes

De aanleiding voor het gesprek over zijn leven, zijn werk en zijn land is de toekenning van de Erasmusprijs aan Michnik en zijn Midden-Europese collega, de Italiaanse schrijver Claudio Magris. Maar het is, begin oktober, een beetje een vreemd moment, want iedereen is nog verdoofd door de klap in Amerika en als hoofdredacteur heeft Michnik wel wat anders aan zijn hoofd. En die prijs? Aan de muur tegenover zijn bureau hangen tientallen prijzen, oorkondes en eredoctoraten van over de hele wereld. En waar was de hoofdredacteur toen de Twin Towers ineenzegen? In Duitsland, om samen met twee andere kopstukken van de Poolse democratie de Bertelsmannprijs in ontvangst te nemen. Het zijn de katholieke intellectueel Tadeusz Mazowiecki, de eerste niet-communistische premier van het naoorlogse Polen en Leszek Balcerowicz, het brein achter de economische shocktherapie.

'Op die bewuste 11 september heb ik vanuit Duitsland onmiddellijk mijn hoofdcommentaar doorgebeld. Het bevatte drie punten: ten eerste dat de 21ste eeuw was begonnen, ten tweede dat de daders moeten beschikken over veel geld en een dood geweten en ten derde dat de duivel onder ons is weergekeerd. Het was de dag dat Erasmus verloor en Luther won.' Niemand heeft kunnen voorzien wat er in New York gebeurd is, denkt Michnik. 'Dit is de totalitaire ervaring die zich genesteld heeft in het hart van de democratische samenleving. Je voelt het religieus fanatisme en ruikt de vlammen van de brandstapels. Maar eigenlijk bestaat de geschiedenis van de mensheid uit dit soort verrassingen. Wie had Hitler kunnen voorzien, of Stalin, Pol Pot of de Talibaan?'

Arbeiders en intellectuelen

Het is deze maand precies vijfentwintig jaar geleden dat Poolse oppositionele intellectuelen het KOR oprichtten, het Comité ter Verdediging van Arbeiders. In juni 1976 braken in het communistische Polen voor de zoveelste keer voedselrellen uit, omdat de prijzen in één klap met 60 procent werden verhoogd. Arbeiders protesteerden in Ursus en Radom. Intellectuelen besloten hen bij te staan. Het was voor het eerst in Oost-Europa dat arbeiders en intellectuelen elkaar vonden in de strijd tegen de communistische dictatuur. Vier jaar later leidde deze samenwerking tot de oprichting van de vrije vakbond Solidariteit in Gdansk. Op de Leninwerf gingen de arbeiders onder leiding van Lech Walesa in staking. Leden van het kor als Jacek Kuron en Adam Michnik voegden zich onmiddellijk bij hen.

De eisen van de stakers werden hoe langer hoe politieker. Eind augustus 1980 tekenden stakers en regime de oprichtingspapieren van de eerste onafhankelijke vakbond in de communistische wereld. Walesa zou tien jaar later de eerste president van het postcommunistische vrije Polen worden.

Poolse kranten en tijdschriften staan dezer dagen vol met foto's uit de begintijd van het kor: kamers vol bezorgd kijkende jongeren in spijkerbroeken en dikgerande brillen. Nu eens zit Michnik een beetje verwaand op de achtergrond op een verwarmingsradiator, dan weer staat hij naast Jacek Kuron, een van de andere grote mannen van het eerste uur. Op alle foto's kijkt de jonge man met de blonde krulletjes recht de camera in en rookt.

De meeste kameraden van toen zijn na de val van het communisme in 1989 halsoverkop de politiek ingerold. Ze bleken vaak niet de beste politici. De oude Poolse oppositie is in duizend stukjes uit elkaar gevallen en kibbelend ten onder gegaan. Bij de laatste verkiezingen, eind september, hebben kanonnen van het eerste uur als Mazowiecki en Bronislaw Geremek, in de laatste regering minister van Buitenlandse Zaken, niet eens meer de kiesdrempel gehaald.

De Poolse intellectuelen hebben na twaalf jaar vrijheid moeite om hun teleurstelling te verbergen over de resultaten van de democratie. 'De samenleving is diep gefrustreerd', zegt Michnik. 'Polen heeft vier fundamentele transformaties achter de rug. Van dictatuur naar democratie. Van een centraal geleide planeconomie naar een vrije markt. Van een sovjetsatelliet naar een soevereine staat. En van een intolerante, rechteloze staat naar een tolerante rechtsstaat.'

De frustratie van zijn politieke vrienden is volgens Michnik omgekeerd evenredig aan de hoop die de samenleving in 1989 koesterde. Inmiddels likken zij hun wonden. Michnik niet. 'Alsof een Poolse intellectueel per definitie pessimistisch moet zijn. Ik doe daar niet aan mee. Ik ben overtuigd optimist. Iedere ochtend als ik wakker word, ben ik me bewust van de enorme vrijheid die we genieten, van de ongelooflijke veranderingen die onze maatschappij heeft doorgemaakt.'

Tijdens ons gesprek gaat een paar keer de telefoon. 'Aaah, pan premier...' zegt Michnik met een speels glimlachje rond de mond. Aan de telefoon is Wlodzimierz Cimosziewicz, een van de kopstukken van de linkse oppositie. Cimosziewicz was een tijdje premier toen de voormalige communisten regeerden tussen 1993 en 1997. Hij maakt kans minister van Buitenlandse Zaken te worden in de nieuwe linkse regering. De wereld van de Poolse politiek is niet zo groot als de bijna 40 miljoen inwoners wel doen vermoeden. Michnik zit als een spin in het web.

Het succes van Gazeta

Adam Michnik was zo verstandig om de actieve politiek te mijden. Na de val van het communisme ging hij leiding geven aan Gazeta Wyborcza, de Verkiezingskrant, die in 1989 van de ene op de andere dag in het leven werd geroepen om de vrije vakbond Solidariteit een kans te geven bij de eerste halfvrije verkiezingen.

Gazeta was een tactisch instrument in de strijd tegen de toen nog machtige communisten. Het werd een groot succes. De politieke macht van Solidariteit is inmiddels verdampt, Gazeta staat nog altijd als een huis. 'Dat komt omdat wij duidelijke keuzes hebben gemaakt en omdat onze boodschap altijd duidelijk is geweest. Daarin hebben de Poolse politici gefaald.'

Michnik is de geestelijk vader van de redactie. Vanuit zijn rokershol - de hele krant is rookvrij op de kamer van Michnik na - dirigeert, inspireert en corrigeert hij de zeer jonge redactie. Zodra hij op de krant verschijnt, wordt hij omringd door een groep journalisten. Voor advies, voor een bevrijdende anekdote of voor de laatste roddel. Hij is de redactionele strateeg van de krant, een ouderwetse hoofdredacteur die zich niet afgeeft met financiën en nog minder met de techniek. Hoe eigenzinnig hij daarin is, blijkt uit zijn troetelkind, een katern in de zaterdagkrant boordevol paginalange essays en verhandelingen van zijn intellectuele geestverwanten. Dankzij die bijlage dáált de losse verkoop van de krant (Gazeta heeft geen abonnees, de oplage schommelt tussen de 400.000 en 800.000) op zaterdag met 200.000 exemplaren. Toen de directie daar voorzichtig aanmerkingen op maakte, bood Michnik ruiterlijk aan op te stappen.

Gazeta is de spreekbuis van Michnik. Zijn commentaren staan in een klein kadertje op de voorpagina. Hij schrijft over Europa, over euthanasie, over de Poolse betrekkingen met het problematische buurland Oekraïne, maar hij deelt de lezer ook ongevraagd mee op welke partij hij gaat stemmen en waarom. De krant is er om de massa te verheffen. 'Ik probeer een krant te maken die een duidelijk geluid geeft.' De dissident van weleer is de opvoeder van de natie geworden. Dat leidt wel eens tot opgetrokken wenkbrauwen. Gazeta zou te politiek zijn, te sterk geëngageerd, te weinig objectief. Michnik wijst de kritiek van de hand, hij heeft maar één doel: meewerken aan een democratisch, welvarend, onafhankelijk Polen.

Zes jaar cel

Als Michnik eufemistisch spreekt over 'mijn biografie', doelt hij op de levensjaren die het communistische regime hem heeft ontstolen. In 1968 was hij een van de leiders van het studentenverzet, in 1980 een van de grondleggers van de vrije vakbond Solidariteit. Tussen 1965 en 1986 zat de dissident in totaal zes jaar achter slot en grendel. 'Dat is fnuikend voor je seksleven, maar uitstekend voor je intellectuele ontwikkeling', zegt hij lachend. Hij kan het niet genoeg benadrukken: nergens kun je zo rustig lezen als in de gevangenis. Geen vrouwen, geen wodka, geen telefoon. 'Ik nam me onmiddellijk voor om geen minuut te verdoen en keihard te werken, te schrijven en te lezen. Ik dacht: als ik vrijkom zuip ik me te pletter. Dan hoef ik mezelf daarover geen verwijten te maken, omdat ik immers in de gevangenis al alles heb gedaan wat ik moest doen.'

De Poolse staatsgevangenissen hadden heel behoorlijke bibliotheken. Michnik werkte zich gestaag door de kasten heen met de verzamelde werken van Lenin tot de boeken van Marcel Proust. Met veel plezier vertelt hij hoe hij eens tot de finale doordrong van de landelijke Lenin-competitie. In de gevangenis had hij de tijd gedood met de verzamelde werken van Lenin. Toen hij na zijn gevangenisstraf als arbeider op de Roza Luksemburgfabriek ging werken, deed hij voor de grap mee aan het Lenin-concours. Hij won de fabriekscompetitie, de regionale competitie en belandde ten slotte in de finale voor de nationale titel van Lenin-kenner. Hoofdprijs was een reisje van twee weken naar de Sovjet-Unie. Pas toen Michnik in de laatste ronde was aanbeland, rook de directie van de fabriek onraad. Een Lenin-concours dat gewonnen werd door een 'staatsgevaarlijk element'. De directeur voelde zich danig in verlegenheid gebracht en probeerde het met de dissident op een akkoordje te gooien. Michnik trok zich terug uit de eindstrijd in ruil voor boekenbonnen.

De eer van de fabriek was gered en Michnik kon voor 5.000 zloty boeken kopen.

Michnik las alles wat los en vast zat. In de gevangenis schreef hij aan één stuk door. Over de rol van de intellectueel in de maatschappij: 'Het is niet de verantwoordelijkheid van de intellectueel om preken te houden over het onderwerp verzoening, maar de werkelijkheid te doorgronden en haar valstrikken bloot te leggen.'

Michniks werkelijkheid is vooral Polen. Hij schreef over de verschillende intellectuele en politieke stromingen aan het begin van de twintigste eeuw, toen Polen na 120 jaar weer onafhankelijk werd. Over het socialisme en het communisme. Over het revisionisme en het neo-positivisme van de Poolse communistische maatschappij dat gedoemd was te falen. Over een schrijver als Thomas Mann die zich instinctief afkeerde van het nazisme 'en daardoor vanaf het begin in staat was dingen te zien die anderen pas tijdens de oorlog opmerkten'. En over zijn grote held Czeslaw Milosz, 'wiens trouw aan zichzelf en waarheidsliefde uiteindelijk werden beloond'. Onafgebroken probeerde hij lessen te trekken uit het woelige Poolse verleden en bouwstenen aan te dragen voor de nieuwe, open maatschappij, die op dat moment nog in geen velden of wegen te bekennen was.

Ik ben een snob

Michniks biografie heeft zijn levenshouding bepaald. Ook in Polen, dat als één man achter Amerika staat, heerst onzekerheid en angst over de aanslagen. Maar Michnik deelt die gevoelens niet. Hij heeft zich zijn hele leven bedreigd gevoeld. 'Ik was gewend om iedere paar weken te worden opgepakt. Ik ben altijd op het ergste voorbereid. Ik heb de absolute bodem gevoeld, daarna kan het alleen maar beter worden. En trouwens, ik ben een snob. Het is in Polen bijna banaal om pessimist te zijn. Daarom ben ik een optimist.'

Een snobistische Poolse intellectueel die graag met citaten strooit, zoals van zijn geliefde dichter Milosz die schreef hoe de stenen op een berghelling de loop van een lawine kunnen veranderen. 'Ik wil graag één van die stenen zijn', zegt Michnik. Of van zijn inmiddels overleden tijdgenoot de dichter Zbigniew Herbert, maar ook van Albert Camus en Hannah Ahrendt, van Erasmus en Thomas Mann, van Homerus en Sophocles. Michnik is een Europees denker van het oude soort en is dolblij als hij in Günther Grass een geestverwant ontdekt. 'Toen hij vertelde dat Milosz, Camus en Hannah Ahrendt zijn belangrijkste schrijvers waren, begreep ik dat hij en ik van dezelfde aap afstammen.'

Hoe kan het toch dat Michnik al op de middelbare school de strijd aanbond met het als onoverwinnelijk beschouwde communistisch regime? 'Pure megalomanie!', grapt hij. 'Ik heb nooit getwijfeld aan welke kant ik moest staan. Je moest tegen het communisme zijn, omdat het bedrog was. Ik kan mezelf niet voor de gek houden en iets wit noemen wat zwart is. Commu- nisme betekende voor mij de leugen, de vernedering. Dat je de hele dag op de radio moest horen dat de Sovjet-Unie voor de vrede was en al die andere onzin!'

Michnik was een kind van zijn tijd, een linkse student, een echte '68er'. Maar de Volksrepubliek Polen was niet het Nederland van het Maagdenhuisprotest of het Frankrijk van de studentenrellen waar het gedachtegoed van de Sovjet-Unie juist in zwang was.

In Warschau werd in maart 1968 op last van de ambassadeur van de Sovjet-Unie de opvoering verboden van het stuk Dziady (Voorvaderen) van de Poolse dichter Adam Miczkiewicz. Het publiek was wat al te enthousiast aan het klappen geslagen bij anti-Russische passages. Studenten gingen de straat op uit protest. Michnik werd van de universiteit gestuurd. Binnen de communistische partij brak een machtsstrijd uit.

Terwijl in Tsjecho-Slowakije de Praagse Lente begon, probeerden de oude kaders in Polen hun posities te versterken met een antisemitische hetze. De gelederen werden gezuiverd. Ook studentenleiders als Michnik werden tot zionisten en buitenlandse agenten bestempeld. Toen de tanks van het Warschaupact op 22 augustus 1968 een einde maakten aan de Praagse Lente van Aleksander Dubcek, begreep Michnik dat het communisme nooit van binnenuit te veranderen zou zijn. 'Toen toonde het communistische Polen zijn nazi-gezicht. Ik begreep dat het mijn plicht was hun het doodshemd aan te trekken. Ik wilde Polen niet verlaten voor ik ze de strot had doorgebeten.'

Toch is ook Michnik weleens bang geweest, zegt hij. 'Niet dat ze me iets zouden aandoen, maar dat ze me ergens toe zouden dwingen, dat ze me zouden vernederen. Ik heb dat vaak zien gebeuren, dat mensen tot vuilnis werden gedegradeerd. Zbigniew Herbert zegt ergens: je moet je angst zien te bedwingen, anders bedwingt hij jou.'

Dichters zijn belangrijk voor Michnik, woorden zijn belangrijk, vooral in tijden van dictatuur. 'Omdat woorden tekenen van de ziel zijn. Als de mens alle invloed heeft verloren, als hij geen meester meer is over zijn werkelijkheid, dan resten hem alleen nog de woorden om deze werkelijkheid te diskwalificeren en af te wijzen. Tóén ging het om dictatuur en censuur, nú zit ik bij de krant in een kakofonie van woorden. Weer moet ik voorzichtig met ze omgaan, ze mogen niet worden geprostitueerd. Want woorden zijn ons laatste bastion.'

Joden uit Lvov

Over zijn achtergrond wil Michnik niet veel kwijt. Zijn ouders waren joden uit Lvov, het vroegere Lemberg. In zijn rede voor de Erasmusprijs beschrijft hij zijn vader als volgt. 'Hij was een jood en een communist, ik ben een Pool en een anticommunist. Hij was een wijze, bescheiden man die een verkeerde keus maakte, want communisme was een verkeerde keus. Hij heeft ervoor in de gevangenis gezeten. Voor de oorlog. Hij zat acht jaar wegens communisme, ik zat zes jaar wegens anticommunisme. (...) Mijn vader werd in 1919 lid van de partij uit non-conformisme maar heeft mee helpen bouwen aan een systeem dat totaal conformistisch bleek te zijn. Daarom ben ik altijd buitengewoon op mijn hoede als mensen denken de absolute waarheid in pacht te hebben, dat ze denken dat ze een perfecte wereld kunnen bouwen zonder zondes. Ik ben ook op mijn hoede voor mijn eigen keuzes, niemand kan zichzelf voldoende beoordelen. Ik moet steeds vaker denken aan de adviezen die mijn vader me gaf. Hij kwam uit Lvov, een multiculturele, multinationale en multireligieuze stad. Als product van die multiculturele samenleving gaf hij me het advies om altijd de kant van de zwakkeren te kiezen, Oekraïeners, Armeniërs, joden en Polen, zolang ze zwak zijn. Neem afstand zodra ze sterk genoeg worden om hun wetten aan anderen op te leggen.'

Het Lvov van Michniks vader ligt nu in Oekraïne. Vervallen koopmanshuizen in het centrum herinneren nog aan het Poolse en Habsburgse verleden, verder is het een Oekraïense stad als alle andere: arm, grauw en vies. De bonte cultuur van voor de Eerste Wereldoorlog heeft plaatsgemaakt voor Oekraïens nationalisme. De Polen zijn gevlucht, de joden vermoord, geassimileerd of geëmigreerd en niemand herinnert zich nog de Armeense en Griekse kooplieden van Lemberg.

Poolse heroïek

Adam groeide op in een totaal andere wereld. Polen had na de Eerste Wereldoorlog na 120 jaar zijn onafhankelijkheid herkregen. Maar toen hij in 1946 geboren werd, smeulde het land nog na van een vreselijke oorlog die in Polen alleen al aan drie miljoen Polen en drie miljoen joden uit heel Europa het leven had gekost. De nazi's hadden Polen uitgekozen om hun vernietigingskampen neer te zetten: Auschwitz, Treblinka, Majdanek. Zoals alle Poolse kinderen werd Michnik echter groot met de heroiek van de Poolse ondergrondse die de Duitse bezetter vanuit de riolen en de bossen bestreed. Een heroïek die later als vanzelf overging in anticommunistisch verzet.

De centrale vraag in de wereld waarin Michnik en zijn generatie groot werden was de Poolse onafhankelijkheid. Zijn joodse afkomst speelde daarin geen rol. Hij heeft er naar eigen zeggen ook nooit last van gehad dat hij een kind was van joodse ouders. Antisemitisme beschouwt hij als 'het symbool van de barbarij', maar 'ik ben nooit gediscrimineerd als jood, wel als anticommunist'. Hij hecht eraan te benadrukken dat hij antisemitisme altijd heeft bestreden als Poolse intellectueel, niet als jood. En op de vraag of Polen een antisemitisch land is, zoals een groot deel van de wereld denkt, reageert hij geprikkeld. 'Wat een idiotie! Hebben de Pólen soms de Nederlandse joden vermoord?' Michnik heeft een nogal gezochte verklaring voor het stempel dat zijn land opgedrukt heeft gekregen. 'Polen is verraden in Jalta en er was bij de geallieerden een morele behoefte om dat verraad te rechtvaardigen. Dus zei men: waarom hebben die Polen hun vrijheid nodig, zeker om joden af te maken? We zijn nu twaalf jaar vrij en de joden hebben het nog nooit zo goed gehad in Polen als nu. Het is werkelijk absurd om te zeggen dat de Polen het antisemitisme in hun genen hebben.'

Het is een zeer teer punt. Michnik, de meester van de publieke opinie, verzuimde vorig jaar maandenlang om in Gazeta de kwestie-Jedwabne aan de orde te stellen. Het was de conservatieve krant Rzeczpospolita (Republiek) die als eerste inging op het boek Buren van Jan Gross waarin tot in de gruwelijkste details de moord beschreven wordt op 1600 joden in het Oost-Poolse plaatsje Jedwabne in juli 1941. Week na week kwam de krant met getuigenissen, achtergronden, commentaren. Niet Adams Gazeta maar de conservatieve concurrent opende het debat waar de Poolse samenleving tot vandaag mee worstelt: in hoeverre zijn de Polen medeschuldig aan de jodenvervolging in hun land?

Michnik geeft onmiddellijk toe dat hij gefaald heeft. Een kapitale blunder. 'Het was mijn schuld, mijn verantwoordelijkheid', zegt hij aangeslagen. 'Ik kon het gewoon niet geloven. Zouden jullie kunnen geloven dat Nederlandse boeren 1600 joden in een schuur hadden gestouwd en verbrand? Mijn eerste reactie was ongeloof en wantrouwen. Jan Gross is een vriend van me, maar ik heb meteen tegen hem gezegd: dit is absurd. Ik vond dat de feiten eerst moesten worden nagetrokken. Zijn boek was gebaseerd op twee getuigenissen. Er was één ooggetuige, ene Wasersztajn die aan de moord ontsnapt was en de andere getuigenverklaring kwam uit een proces dat in de Volksrepubliek Polen was gevoerd in 1949, op het hoogtepunt van het stalinisme. Ik vond het te weinig. Hoe kon je nou geloof hechten aan de processtukken van een stalinistisch proces waar mensen alles bekenden wat ze van de rechter moesten bekennen? Ik kon me niet voorstellen dat er in Polen schuren waren waar je 1600 mensen in kon opsluiten. In werkelijkheid blijken er in het massagraf op de plaats van de schuur nu geen 1600 maar 300 lijken te liggen, maar dat maakt het natuurlijk allemaal niet minder erg. Pas toen er meer getuigen opdoken en onze redacteur Anna Bikont de inwoners van Jedwabne aan de praat kreeg, ja, toen moest ik het wel geloven.'

Toen Gazeta ruim een half jaar na het verschijnen van Buren een eerste artikel aan de zaak wijdde, was het nationale debat al in volle gang. 'Het is een dramatisch debat dat op alle niveaus en in alle media wordt gevoerd, zonder enige censuur', zegt Michnik. 'Ik ken geen enkel ander land in Europa waar dat mogelijk zou zijn. Zoiets hebben ze nog nooit gezien in Litouwen, Oekraïne of zelfs in Frankrijk. Alleen misschien in Duitsland. In Polen doet iedereen mee, de premier, de president, de primaat. En het is nog lang niet afgelopen'.

Heeft Gazeta de boot gemist, omdat Michnik de Poolse onschuld wilde beschermen, het beeld van de Poolse oorlogshelden? 'Kennelijk zijn we allemaal de gevangenen van stereotypen', zegt Michnik. Gegeneerd steekt hij zijn zoveelste sigaret op.

Gouden communistische jeugd

De volgende avond ontvangt Michnik thuis. Als we voor de deur staan, doet niemand open. De hoofdredacteur blijkt nog bij de president te zitten. Na een half uurtje komt hij opdagen. 'Kwasniewski was wat lang van stof', zegt hij alsof het de gewoonste zaak van de wereld is dat de anticommunistische hoofdredacteur even langsgaat bij de ex-communistische president. In 1989 zaten ze tegenover elkaar aan de ronde tafel die een einde maakte aan de alleenheerschappij van de communisten. Kwasniewski was toen minister van Sport en leider van de communistische jeugdbeweging. Hij heeft een opmerkelijke ontwikkeling doorgemaakt: van een jongen met een gouden communistische jeugd die zijn vakanties doorbrengt op de Krim tot een gerespecteerde Europeaan die de deur platloopt in Brussel om zijn land de Europese Unie binnen te praten. Kwasniewski is aan zijn tweede termijn als president bezig en is veruit de meest geliefde politicus van Polen. 'Ik ken hem al jaren. Nog uit de tijd dat hij een dikke communist en baantjesjager was. Hij spreekt tegenwoordig dezelfde taal als ik, hij heeft net zulke liberale denkbeelden als ik. Hij is trouwens niet de enige bij de sociaal-democraten - lees voormalige communisten - die ons gedachtegoed heeft overgenomen. Dat is onze grote overwinning geweest.'

Michnik woont in een ruim appartement in het midden van de stad. Enorme boekenkasten verbergen de muren. Overal staan, liggen en wankelen boeken. 'Ja, hier ontbreekt een vrouwenhand', zegt Michnik verontschuldigend. Drie versleten gemakkelijke stoelen staan rond een lage ronde tafel waarop onmiddellijk een paar flessen drank verschijnen. De tafel is afgedekt met een glasplaat waaronder tientallen foto's liggen. Michnik met zijn vrienden, Michniks zoon Antoni, drie stralend glimlachende gebroeders Kennedy. In het midden een uitvergrote foto van Michnik dansend met Jane Fonda, híj met de boterzachte blik van een jongetje dat zijn droom in vervulling ziet gaan, zíj koeltjes en afstandelijk.

Toch had Michnik de Ted Turner van Polen kunnen zijn, de rijkste en meest invloedrijke mediamagnaat. Uit het oorspronkelijke Gazeta Wyborcza is het mediaconcern Agora geboren dat twee jaar geleden naar de beurs ging. Een deel van de aandelen kwam in handen van de medewerkers van de krant, maar Michnik weigerde zijn aandeel. 'Tja, ik had de rijkste man van Polen kunnen zijn. Ik schijn zo'n 30 miljoen dollar in de prullenbak te hebben gegooid. Maar ik wilde die aandelen per se niet hebben, omdat ik niet wilde dat iemand van mijn medewerkers ooit tegen me zou kunnen zeggen dat ik gemakkelijk praten heb omdat ik rijk ben. Mijn doel is altijd geweest om een krant te maken die een steunpilaar zou zijn voor een nieuwe, open maatschappij. Aan geld heb ik nooit gedacht.' M

Adam Michnik: Uit een belegerde stad. Essays. Vertaling Gerard Rasch. Met een inleiding van Paul Scheffer. Uitgeverij De Bezige Bij.

Renée Postma is correspondent van NRC Handelsblad in Boedapest.

Maria Zbaska is freelance fotograaf en werkt regelmatig voor de krant Gazeta Wyborcza.

[streamliners] 'De aanslag in New York is de totalitaire ervaring die zich genesteld heeft in het hart van de democratische samenleving.'

'Waarom moet een Poolse intellectueel per definitie pessimistisch zijn? Ik doe daar niet aan mee.'

'Ik dacht: als ik vrijkom, zuip ik me te pletter. Dan hoef ik me daarover geen verwijten te maken, omdat ik in de gevangenis al alles heb gedaan wat ik moest doen.'

'Het is werkelijk absurd om te zeggen dat de Polen het antisemitisme in hun genen hebben.'

'Ik had de rijkste man van Polen kunnen zijn. Ik schijn zo'n 30 miljoen dollar in de prullenbak te hebben gegooid.'

    • Renée Postma En Laura Starink