`EEN MOSKEE IS TOCH EEN SOORT KASTEEL?'

Om de Brabantse kinderen te vertellen over de islam komt Katinka Boukhanissa op bezoek bij de Mariaschool in Bladel.

Aan de Mariaschool in Bladel zijn de terreuraanslagen in Amerika niet ongemerkt voorbijgegaan. Bij het koffiezetapparaat in de lerarenkamer staat een druk gebarende lerares van de kleuters. Ze praat gejaagd. ``Kwam ik vanochtend in de klas en wat stond daar? Een potje met wit poeder met op het etiket: verboden aan te raken!'' De middagpauze is net begonnen en een handvol leraren kijkt de juf met grote ogen aan. ``Ik dacht natuurlijk meteen dat het een grap was, maar ja je weet nooit. En ik ben wèl verantwoordelijk voor al die kinderen.'' Ze hapt naar adem en zucht. Op rustiger toon vertelt ze dat de kinderen haar gelukkig konden vertellen wat het witte poeder betekende. Dat is groeipoeder, zei er een, als je dat in het bos strooit op een plaats waar niets groeit, dan komt er hop een boom. Je kunt het ook op de pannenkoek doen, wist een ander.

Misschien is het de allerkleinsten ontgaan, maar de meeste kinderen van de Mariaschool in Bladel, een dorp met 11.000 inwoners bij Eindhoven, weten dat wit poeder ook gevaarlijk kan zijn. Ze weten van de oorlog in Afghanistan. En van moslims en de islam. Maar het zegt ze weinig. Tussen de 350 leerlingen van de basisschool zit welgeteld één leerling die moslim is, een van de twee allochtonen die school telt.

``Als wij met leerlingen praten over allochtonen, over hoe ze hier leven en waar ze in geloven, blijft dat heel abstract. Het is als praten over de tram. Die zien ze ook nooit'', zegt directeur Gust van de Put van de katholieke basisschool. De school zocht daarom naar een goede manier om leerlingen te informeren over moslims. En kwam uit bij het Centrum voor internationale samenwerking (COS de vroegere naam luidde Centrum voor Ontwikkelingssamenwerking) in Oost-Brabant. Die stichting laat allochtonen op verzoek hun verhaal vertellen op scholen, onder het motto `Verhalen van Ver'.

Toen het COS haar belde had Katinka Boukhanissa, moslim en inwoonster van Bladel, net een artikel gelezen over de profeet Mohammed in Elsevier. Ze was er woedend over. ``Er klopte helemaal niets van. De profeet werd volkomen belachelijk gemaakt. De schrijver had blijkbaar nauwelijks vooronderzoek gedaan. En dan te bedenken dat een heleboel mensen zoiets lezen.'' Boukhanissa vindt het belangrijk dat Nederlanders weten wat de islam werkelijk inhoudt. Daarom ging ze meteen in op het verzoek van het COS. ``In het nieuws wordt voortdurend een link gelegd tussen islam en moord, tussen islam en agressie. Zo ontstaat er een onjuist beeld van ons geloof.''

In het lokaal dat grenst aan het schoolplein bereidt de juffrouw van groep 7 haar leerlingen voor op de komst van Katinka Boukhanissa. Mark is net als het gros van zijn groep 10 jaar en heeft wel een idee wat een moslim is. ``Volgens mij heeft een moslim van die lange kleren aan en zo'n plat hoedje op.'' Wat ze van die kleren vinden, wil de juf weten. ``Als hun zo willen rondlopen, moeten ze dat maar doen'', zegt Sjoerd. ``Maar ik vind ze een beetje raar.'' Moslims hebben lang niet altijd andere kleren aan, weet Damoon uit eigen ervaring. Zijn vader komt uit Iran en ze eten thuis kebab en kip en geen varkensvlees. Damoon zelf is geen moslim en gaat ook niet naar de moskee.

Of iemand weet wat een moskee is, vraagt de juf. Ralf steekt z'n vinger op: ``Dat is een soort kasteel, net als bij Aladin.'' Zijn klasgenote vertelt dat ze in Turkije een moskee heeft bezocht en dat ze 'allemaal doeken om moest'. Vlak voor de bel gaat, vertelt Mark nog snel wat hij verder weet over moslims: ``Volgens mij stammen ze ook af van de joden.'' Als de leerlingen van groep 7 in de pauze buiten spelen, steekt Tim zijn hoofd om het hoekje van het vrijwel lege klaslokaal. Zijn vinger wijst een paar keer naar achteren. Opgewonden roept hij: ``Juf, daar is ze. Ik heb ze gezien.'' Maar de juffrouw deelt zijn opwinding niet. ``Het is geen kermisattractie, Tim'', wijst ze hem terecht.

Katinka Boukhanissa, lichtgrijze blazer, dito broek en zwarte hoge hakken, heeft een Marokkaanse vader en een Franse moeder. Ze groeide op in Parijs en kwam op haar zeventiende naar Bladel om te trouwen met een Nederlander van Marokkaanse oorsprong. Ze mist de drukte van Parijs nog bijna elke dag. ``Ik ga zeker twee of drie keer per maand terug.''

Boukhanissa wordt deze dagen regelmatig aangesproken op de gebeurtenissen rond Afghanistan. Ook nu ze in de lerarenkamer koffie drinkt tussen broodjes etende leraren van de Mariaschool. ``Hebben jullie nou meer moeilijkheden op straat zo in deze tijd?'' vraagt een docent oprecht geïnteresseerd. Zelf heeft Boukhanissa geen slechte ervaring, maar ze vertelt over twee Somalische vrouwen die in Bladel zijn uitgescholden bij de bushalte. De docent weet meteen welke vrouwen ze bedoelt. ``Ik vind het dapper hoor, dat ze hier zo gesluierd rondlopen'', zegt hij. De docent naast hem kijkt op. En reageert: ``Ze moeten het natuurlijk zelf weten, maar als ze willen integreren dan werkt dat niet, hè.'' Die opmerking heeft Boukhanissa duidelijk vaker gehoord. ``Wat is integreren'', pareert ze, ``is dat: andere kleren aantrekken?'' De docent mompelt iets onverstaanbaars en Boukhanissa vervolgt op vriendelijke toon: ``Mensen zijn toch zeker vrij om aan te trekken wat ze willen.''

Even later vertelt Boukhanissa in groep 7 dat islam vrede betekent en dat het in de heilige maand Ramadan niet zozeer gaat om het laten staan van eten maar om het helpen van naasten. ``Je mag niet vechten, je mag niet stelen. En de bedoeling achter het niet eten is dat je geld spaart voor arme mensen.''

``Bin Laden is toch ook een moslim? Gaat-ie ook naar de moskee terwijl-ie dat soort dingen doet?'' vraagt een jongen. Boukhanissa: ``Dat zijn mensen met een slecht karakter die zich verschuilen achter het geloof. Er is geen geloof in de wereld dat zegt dat je andere mensen mag vermoorden. Echte moslims zijn boos over wat hij heeft gedaan.''

Mark leert vanmiddag ook dat moslims niet van de joden afstammen. ``Wij gaan terug tot dezelfde stamvader: Ibrahim. Eigenlijk zijn we allemaal één grote familie: moslims, joden en christenen. We zijn allemaal kinderen van God'', zegt Boukhanissa. Als ze groep 7 heeft verlaten en de juf en de kinderen nog wat napraten, blijkt dat indruk te hebben gemaakt op Nick: ``dat eigenlijk iedereen familie is.'' Maar Marieke gelooft er geen fluit van. Zelfverzekerd steekt ze haar vinger op. ``We kunnen helemaal geen familie zijn, want we hebben niet dezelfde achternaam.''