De echte oorlog begint pas na Afghanistan

De oorlog tegen het terrorisme biedt een buitenkans om het internationale stelsel te herzien. Die gelegenheid moet worden benut en de landen die de terroristen zullen verslaan, moeten niet terugschrikken voor de eisen die deze nieuwe fase in de geschiedenis aan hen stelt, vindt Henry A. Kissinger.

Op 11 september om 08.41 uur, toen het eerste gekaapte vliegtuig in het World Trade Center vloog, begon een nieuw tijdperk in de Amerikaanse betrekkingen met de rest van de wereld. Door die aanval werd Amerika zich van zijn kwetsbaarheid bewust en maakte het land kennis met een nieuwe vorm van oorlogvoering: een oorlog zonder frontlinies en specifieke eisen, een oorlog die bovendien niet, zoals sommige andere oorlogen, viel te beëindigen door onderhandelingen, maar alleen door een overwinning.

De reactie bestond uit een uitdagend soort nationale eenheid. Alle discussies over de buitenlandse politiek zijn opgeschort, en er bestaat geen meningsverschil van betekenis over de door president Bush overtuigend gepresenteerde strategie om het internationale terrorisme te verslaan.

Hoe schimmig de nieuwe manier van oorlogvoeren ook is, er kan wel degelijk duidelijk worden vastgesteld wat nodig is om de oorlog onder controle te krijgen. Tot nu toe vonden terroristische aanvallen – van de gijzelaars in het Libanon van de jaren tachtig, tot de bommen op de ambassades in Kenia en Tanzania in 1998 en de gehavende Amerikaanse torpedojager in Jemen in 2000 – ver weg plaats en in een tijd dat de Verenigde Staten niet al te veel druk wilden uitoefenen op de landen die terroristen onderdak boden.

Nu zal men de terroristen anders, juister beoordelen. Ze zijn meedogenloos, maar niet talrijk. Ze hebben geen permanente macht over een bepaald grondgebied. Als ze in hun activiteiten worden belemmerd door de geheime diensten van alle landen – als geen enkel land hun onderdak wil bieden – worden ze vogelvrij en zullen ze steeds meer genoodzaakt zijn zich bezig te houden met hun eigen veiligheid. Als ze een deel van een land trachten over te nemen, zoals tot op zekere hoogte is gebeurd in Afghanistan en Colombia, kunnen ze met militaire middelen worden verjaagd. Essentieel in de strijd tegen terroristen is dat hun veilige toevluchtsoorden van de aardbodem verdwijnen.

Die toevluchtsoorden ontstaan op allerlei manieren. In sommige landen is bij afwezigheid van bewezen criminele handelingen geen strenge bewaking mogelijk wegens binnenlandse wetgeving of grondwettelijke bepalingen. Ook kan het verboden zijn schijnbaar puur binnenlandse informatie aan andere landen door te spelen – zoals het geval schijnt te zijn in Duitsland en tot op zekere hoogte in de VS. Er worden inmiddels maatregelen genomen om daar iets aan te doen.

De meeste toevluchtsoorden ontstaan wanneer een regering een oogje toeknijpt omdat ze het met een paar doelstellingen van de terroristen eens is – zoals in Afghanistan, tot op zekere hoogte in Iran en Syrië en tot voor kort in Pakistan. Zelfs schijnbaar bevriende naties die op het vlak van algemene strategie met de VS samenwerkten, zoals Saoedi-Arabië, sluiten soms een stilzwijgend pact met terroristen, zolang de terroristische acties maar niet tegen de gastregering gericht zijn.

Een serieuze, tegen het terrorisme gerichte campagne moet die banden doorbreken. Veel gastregeringen weten meer dan ze voor 11 september bereid waren mee te delen. Zij moeten veel meer gestimuleerd worden om informatie door te spelen. Verbetering van de samenwerking op het gebied van de veiligheid, blokkering van geldstromen, belemmering van de communicatie tussen terroristen en opvoering van de druk, desnoods met militaire middelen, op landen die een toevluchtsoord bieden, moeten deel uitmaken van de campagne.

Na de aanval op Amerikaanse bodem heeft de regering-Bush alle argumenten weerstaan om onmiddellijk over te gaan tot militaire actie tegen bekende terroristische centra, in het bijzonder centra die al eerder aanvallen tegen Amerikanen hebben gesteund. Minister Powell van Buitenlandse Zaken heeft buitengewoon bekwaam een mondiale coalitie tot stand gebracht, waardoor het gebruik van geweld tegen Afghanistan, het duidelijkste voorbeeld van een land dat een toevluchtsoord bood aan het monsterachtigse symbool van het internationale terrorisme, Osama bin Laden, wordt gelegitimeerd. Het zou allemaal niet zijn gelukt – althans niet zo soepel zijn verlopen – zonder de uitzonderlijke kwaliteiten die de Britse premier Blair als leider aan de dag heeft gelegd, en de moed van president Musharraf van Pakistan, die de sterke binnenlandse oppositie heeft getrotseerd.

Er zijn twee risico's verbonden aan de sterke concentratie op Afghanistan.

Ten eerste kan de coalitie van het ultieme doel – de uitschakeling van het internationale terrorisme – worden afgehouden door de inherente problemen van een onherbergzaam land en een chaotisch politiek stelsel. Hoewel de eliminatie van Bin Laden, zijn netwerk en zijn medestanders een belangrijke symbolische werking heeft, zal daarmee pas de eerste zet zijn gedaan in een wereldwijde campagne die waarschijnlijk langdurig en meedogenloos zal zijn.

Het tweede probleem is dat moet worden gewaakt voor de verleiding om samenwerking op het gebied van Afghanistan als einddoel te zien en als excuus te gebruiken om onder de noodzakelijke latere fases uit te komen. Daarom moeten de militaire operaties in Afghanistan beperkt blijven tot het verslaan van de Talibaan en de vernietiging van het netwerk van Bin Laden. Als we met militaire macht een natie zouden proberen op te bouwen, zouden we in net zo'n moeras terechtkomen als de Sovjet-Unie enige jaren geleden.

Hoewel het algemeen wenselijk wordt geacht een brede coalitieregering te vormen voor Afghanistan, duidt de geschiedenis daar niet op. De waarschijnlijke – en misschien hoogst haalbare – uitkomst is een centrale regering in Kabul met beperkte macht en daarnaast autonomie voor de stammen in de verschillende provincies. Deze noodzakelijke ontwikkeling zou plaats moeten vinden onder auspiciën van de Verenigde Naties, met royale economische steun van de VS en andere moderne industrielanden.

Er zou een contactgroep kunnen worden opgericht bestaande uit de buurlanden van Afghanistan (behalve Irak), India, de VS en de NAVO-bondgenoten die aan de militaire acties hebben deelgenomen. Daarmee zou een proces op gang worden gebracht om Iran weer in het internationale stelsel op te nemen, mits het oprecht afziet van verdere steun aan het terrorisme.

De cruciale fase in Amerika's strijd tegen het terrorisme begint pas als de militaire campagne in Afghanistan is afgelopen, en in die fase zal de nadruk niet meer op Afghanistan liggen. Dat is het moment waarop spanningen zullen ontstaan in de coalitie.

Tot dusverre is de kwestie van de doelstellingen op de langere termijn vermeden via een formule die de leden van de internationale coalitie de mogelijkheid biedt zelf te kiezen hoever hun betrokkenheid gaat. Dat gaat goed zolang lidmaatschap van de coalitie slechts vereist dat men zich in principe tegen het terrorisme verklaart. Of de methode van een vrije keus bruikbaar blijft, hangt af van de vraag hoe de plichten van de leden van de coalitie in de volgende fase worden gedefinieerd. Moet het konvooi het tempo aanhouden van het traagste schip of moeten bepaalde onderdelen in staat worden gesteld zelfstandig verder te varen? In het eerste geval zullen de inspanningen van de coalitie geleidelijk aan worden bepaald door precies het soort compromissen dat het inspectiesysteem van de VN in Irak om zeep heeft geholpen en binnenkort een einde zal maken aan de VN-sancties tegen dat land. In het andere geval kan de coalitie worden gezien als een groep met gemeenschappelijke doelstellingen, die echter autonome actie toestaat, mits sprake is van enige vorm van consensus, of in het uiterste geval door de VS alleen.

Degenen die voor de breedst mogelijke coalitie zijn – met andere woorden, voor een vetorecht van de leden – beroepen zich dikwijls op de Golfoorlog. Maar er zijn belangrijke verschillen. De Golfoorlog werd veroorzaakt door een duidelijk geval van agressie, die een bedreiging vormde voor Saoedi-Arabië, terwijl de veiligheid van Saoedi-Arabië door opeenvolgende Amerikaanse presidenten van cruciaal belang werd geacht. De VS besloten Saddam een halt toe te roepen in de paar maanden die ze hadden voordat grootschalige grondoperaties door de zomerhitte onmogelijk werden. Nog voor een poging was gedaan een coalitie op te bouwen, waren al enige honderdduizenden Amerikaanse manschappen onderweg. Aangezien duidelijk was dat de VS zo nodig alleen zouden optreden, werd deelname aan de coalitie de effectiefste methode om er invloed op uit te oefenen.

De koers van de huidige coalitie is minder duidelijk. President Bush heeft herhaaldelijk en met klem verklaard dat hij vastbesloten is de strijd tegen het terrorisme ook buiten Afghanistan voort te zetten. Te zijner tijd zal hij zijn uitspraken ook van specifieke voorstellen vergezeld laten gaan. Dan zal ook de reikwijdte van de operationele coalitie duidelijk worden. Er zou verschil van mening kunnen bestaan over de definitie van een toevluchtsoord voor terrorisme, of over de te nemen maatregelen om geldstromen te blokkeren, over de straffen die staan op weigering om mee te doen en over de vraag of geweld moet worden gebruikt, en zo ja op welke manier en door wie.

Zoals bij de Golfoorlog de druk op Amerika om eenzijdige actie te ondernemen het cement vormde voor een coalitie, zo is de vastberadenheid van Amerika en van zijn bondgenoten dringend nodig in de oorlog tegen het terrorisme. Nu de arsenalen van het terrorisme ook biologische wapens schijnen te bevatten, is een duidelijke strategie des te belangrijker geworden. Preventieve actie is van vitaal belang. Landen waarvan bekend is dat ze over dergelijke mogelijkheden beschikken en die vroeger ook hebben aangewend, moeten met strikte sancties gedwongen worden zich te onderwerpen aan strenge, bindende inspecties van internationale controleurs. Dat geldt met name voor Irak met zijn lange geschiedenis van dreigementen aan het adres van al zijn buurlanden en de inzet van chemische wapens tegen zowel zijn buurlanden als de eigen bevolking.

De voorwaarden voor internationale steun aan een strikt beleid zijn aanwezig. Want de aanval op de VS heeft onder de belangrijkste mogendheden een unieke belangenovereenkomst geschapen. Niemand wil het slachtoffer worden van schimmige groeperingen die uit Zuidoost-Azië Europa zijn binnengekomen. Slechts een paar landen beschikken over de middelen om in hun eentje stand te houden. De NAVO-bondgenoten hebben hun discussie over de noodzaak van een Atlantisch veiligheidsstelsel na het einde van de Koude Oorlog gestaakt. Onze Aziatische bondgenoten, Japan en Korea, die democratische en geïndustrialiseerde landen zijn, zijn het daarmee eens.

India, waar het binnenlandse islamitische fundamentalisme een ernstig gevaar vormt, heeft veel te verliezen als het de gemeenschappelijke koers verlaat. Rusland ziet een gemeenschappelijk belang wegens de aangrenzende islamitische gebieden in het zuiden. China heeft hetzelfde probleem, maar dan in het westen, en heeft nog een extra reden om een eind te maken aan het internationale terrorisme: de Olympische Spelen van 2008 in Peking.

Paradoxaal genoeg heeft het terrorisme een wereldwijde eensgezindheid veroorzaakt die geen enkele theoretische oproep tot een wereldorde tot stand kon brengen.

In de islamitische wereld zijn de standpunten minder eenduidig. Veel islamitische landen maken zich weliswaar ernstige zorgen over het fundamentalisme, maar worden er door de publieke opinie in hun land van weerhouden openlijk hun steun toe te zeggen. Enkele landen sympathiseren misschien ook wel met althans bepaalde aspecten van het terrorisme. Een coulante opstelling tegenover traditionele vrienden van Amerika, zoals Saoedi-Arabië en Egypte, is dan ook niet meer dan juist. De leiders van deze landen weten heel goed dat ze compromissen hebben gesloten die werden afgedwongen door binnenlandse omstandigheden.

De Amerikaanse regering moet natuurlijk alles in het werk stellen om die leiders onder deze omstandigheden te helpen, om meer informatie uit te wisselen en de controle op geldstromen te verbeteren. Maar ze moet niet zoveel druk uitoefenen dat deze regeringen zouden verzwakken, want op korte termijn zou ieder denkbaar alternatief onze belangen en die van de betrokken volken alleen maar kunnen schaden.

Er zijn echter wel grenzen. Er is geen reden een land als lid van de coalitie te behandelen als de door de overheid gesteunde media het terrorisme propageren en verdedigen, of als dat land voor de veiligheid van potentiële slachtoffers vitale informatie voor zich houdt en toestaat dat terroristische groepen vanaf zijn grondgebied opereren.

Dat geldt met name voor Iran. Uit geopolitieke overwegingen zouden de betrekkingen tussen de VS en Iran moeten worden verbeterd. Maar een voorwaarde voor toetreding van Iran tot een antiterrorisme-coalitie is dat het land afziet van zijn huidige rol als voornaamste ondersteuner van het internationale terrorisme, iets dat door zowel het ministerie van Buitenlandse Zaken als de antiterrorismecommissie-Bremer is geconstateerd. Iran kan alleen goede betrekkingen met het Westen onderhouden als beide partijen daar behoefte aan hebben. Beide partijen – niet alleen het Westen – moeten fundamentele keuzes maken. In mindere mate geldt dat ook voor Syrië.

In de oorlog tegen het terrorisme gaat het niet alleen om het opsporen van terroristen. Het gaat er vooral om de buitenkans die zich nu voordoet om het internationale stelsel te herzien, niet te laten schieten. Nu de NAVO-landen de gemeenschappelijke gevaren onder ogen zien, kunnen ze hun gemeenschappelijke doelstellingen opnieuw definiëren. In de betrekkingen met vroegere vijanden hoeven ze zich niet te beperken tot het opruimen van de laatste resten van de Koude Oorlog, maar kan Rusland, evenals China – dat langzamerhand de status van een grote mogendheid begint te krijgen – een nieuwe rol worden toebedeeld. Ook India begint een belangrijke rol in de wereld te spelen.

Zodra duidelijk succes is geboekt in de strijd tegen het terrorisme moet het vredesproces in het Midden-Oosten weer dringend op gang worden gebracht. Dat moet niet worden gezien als een concessie aan de terroristen. Deze en andere kwesties mogen niet op de achtergrond raken omdat degenen die nu de overwinning kunnen behalen, zich onttrekken aan de eisen van het nieuwe tijdperk en van de kansen die dit biedt.

Dr. Henry A. Kissinger is oud-minister van Buitenlandse Zaken van de Verenigde Staten.

© Los Angeles Times Syndicate

    • Henry Kissinger