Berlijn in blokken

Berlijn keert terug naar de grootstedelijkheid. De stad breidt zich naar binnen uit. Autobanen in de stad worden versmald en omzoomd met lage bouwblokken of geflankeerd met struiken en bomen.

De Duitse hoofdstad Berlijn zoekt zich een weg terug naar haar wortels. Het is het werk van de architect, stedenbouwkundige en publicist Dr.-Ing. Hans Stimmann (Lübeck 1941), Senatsbaudirektor van de deelstaat Berlijn, vergelijkbaar met een directeur-generaal op een Nederlands ministerie. Onder zijn leiding vindt tot 2010 een `kritische reconstructie' plaats in het kader van het op 27 mei 1999 door het Berlijnse Huis van Afgevaardigden aangenomen `Planwerk Innenstadt Berlin'.

``Hiermee keren wij in een kritische reconstructie terug naar de oude plattegronden met nieuwe bebouwingen, naar de grootstedelijkheid en naar de openbare ruimte, de straat, het plein en het hof'', aldus Stimmann. Zijn werk heeft waarde voor stedenbouwers overal ter wereld en daarom heeft de Technische Universiteit Delft hem voor haar zesde Stevinlezing op zaterdag 10 november uitgenodigd.

Het `Planwerk' betekent een breuk met het concept van de autostad: Berlijn wordt middenin herbouwd en niet in losstaande gebouwen maar in blokken: tot het jaar 2010 ontstaan op 170 hectaren stadsbraak 23.000 woningen voor ongeveer veertigduizend bewoners en twee miljoen vierkante meters bedrijfsoppervlak voor 45.000 werknemers. Een dergelijke geconcentreerde stad gaat veel zuiniger om met energie: een goed geïsoleerd kantoorgebouw verbruikt bijvoorbeeld 70 kWh/m², een wijk met 64 flatwoningen in gesloten vierkante of rechthoekige blokken 80 kWh/m², in strokenbouw 120 kWh/m² en als vrijstaande huizen 150 kWh/m².

lagen

Vrijwel niemand kan het zich nog heugen, maar westelijke Berlijnse tuinsteden zoals Siemensstadt en Borsigwalde, de laatste ooit een fabriek van spoorwegmaterieel, herinneren aan de tijd, van 1870 tot 1945, dat deze stad een industrieel centrum was. Met een woordspeling kan men zeggen: die Geschichte besteht aus Schichten, de geschiedenis bestaat uit lagen: onder het industriële verleden ligt een Pruisisch militair en feodaal tijdperk, er bovenop het hier en daar nog zichtbare nationaal-socialistische tijdvak met bijvoorbeeld het luchtvaartministerie van Goering.

``Tot 1945 had de stad vier miljoen werknemers en bestond zij uit een industriële mantel en een kern met financiële instellingen, diensten, media en theaters'', zegt Stimmann. ``Daarna werd het een lege huls: grote bedrijven zoals Siemens verhuisden naar Hamburg, Frankfurt am Main en München, intellectuelen en kunstenaars waren geëmigreerd of vermoord en de Humboldt Universität werd grotendeels een SED-kaderschool.

``Lang niet alle oude bouwmassa's waren echter in de oorlog verwoest en lang niet alle grondeigenaren waren dood of gevlucht. Men had dus de stad kunnen herbouwen langs bekende en vaak nog bestaande rooilijnen en bouwhoogtes. Berlijn werd echter tweemaal verwoest: eerst door bommenwerpers en kanonnen, later door politici en architecten. De Tweede Wereldoorlog bood de stedenbouwers in Oost en West de kans van hun leven om hun kapitalistische respectievelijk socialistische dromen in een Koude-Oorlogwedloop te verwezenlijken, in Oost-Berlijn het grondigst.''

Tijdens een rondwandeling blijkt dat niet allereerst om esthetische redenen betreurenswaardig: het gaat niet alleen om gevelwanden en stucplafonds. Het botst ook met architectonische opvattingen over moderne stedenbouw: in dergelijke grote eenzijdige structuren ontstaat geen stedelijk leven zoals in oude wijken met studenten, kunstenaars, met winkeltjes, werkplaatsen, kantoortjes, kroegen en underground-bioscopen.

naoorlogse plannen

Mensen zoals Walter Gropius (1883-1969), de stichter van het Bauhaus in Weimar (1919-1933), de Zwitser Le Corbusier (1887-1965) en de Nederlanders Bakema (1914-1981) en Van den Broek (1898-1978) die ook in Berlijn bouwden, meenden dat alle vier gevels van een gebouw getoond moesten worden. Stimann: `'De stad met haar corridorstraten en geometrische pleinen en haar scheiding tussen publieke voorgevels en particuliere achtergevels werd daarom ontbonden ten gunste van een verzameling losse bouwwerken in een abstract verband. Aangezien de opeenvolgende naoorlogse plannen nooit volledig zijn uitgevoerd, bestaat Berlijn uit een verzameling fragmenten van verschillende stedenbouwkundige en politieke oorsprong.''

Een van de belangrijkste voormannen van de `kritische reconstructie' was de Italiaanse architect Aldo Rossi (1931-1997) met zijn boek: L'Architettura della Città (Padua 1966). Deze criticus van het naïeve functionalisme zag de stad als een ruimtelijke structuur. Voor hem zijn de vorm van de percelen wezenlijk en gaat het om de duurzaamheid van de stedelijke plattegrond en van de monumenten, die het verleden voor ons tastbaar maken. ``Aanvankelijk had Rossi geen invloed op de praktische planologie en sloopte men hier in Berlijn monter verder'', aldus Stimmann. Zo werden, volgens het dogma van het functionalisme, door Peter Schweizer in 1977 in Oost-Berlijn langs de gesloopte Leipziger Straße flats van 22 verdiepingen gebouwd met daartussen tweemaal acht rijstroken. Na 1989 begon men zich echter ook in Berlijn te bezinnen op de tradities van de stad als Europese metropool en werd de gebouwde geschiedenis een bron van inspiratie. Stimmann: ``Het gaat om een stedelijk herstel, waarbij de plattegrond als geheugen van de stad dient.''

De bouwsom voor het Planwerk Innenstadt bedraagt tien tot twaalf miljard Mark, evenveel als voor de volledige nieuwbouw van een middelgrote stad nodig zou zijn. Zo wordt de Leipziger Straße weer tot twee maal twee rijbanen teruggebracht, en worden de verdwenen Spittelmarkt en Molkenmarkt opnieuw aangelegd en in een plan van straten en pleinen opgenomen.

Ook de Friedrichswerder, een kunstmatig eiland in de Spree waarop de markgraven van Brandenburg hun veertiende-eeuwse kasteel hadden en waar Berlijn ontstond, moet met verschillende soorten huizen en bedrijven worden herbouwd en met groen en pleinen worden aangevuld. Binnen de oude rooilijnen verrijzen weer ambassades, kantoren, woningen, banken en het Lehrter Bahnhof. Berlijn wordt een Bahnknotenpunkt en een Banknotenpunkt.

De Stevinlezing van dr. Stimmann, `Die Physiognomie einer Großstadt', wordt op zaterdag 10 november gehouden in de Aula van de TU Delft aan de Mekelweg. Belangstellenden zijn van harte welkom. Aanvang 11.00 uur.

    • Robert van der Veen