ALLEEN NOG MAAR NUT

Industrialisatie, Schoolstrijd en verheerlijking van de psychometrie hebben het Nederlandse onderwijssysteem getekend. Slechts enkelingen als Theo Thijssen verdedigden hier culturele verheffing van het kind.

Aan het begin van de negentiende eeuw staat de didactiek in Nederland in dienst van een beschavingsideaal. Het gaat erom onwetende kinderen `eerzame kennis': cultuur bij te brengen. Het aanleren van vaardigheden als lezen, schrijven en rekenen wordt nodig geacht om volwaardige deelnemers aan de nationale cultuur te worden. Civilisatie en algemene vorming moeten algemeen toegankelijk zijn. Volgens de heersende Verlichtingsideaal moet de staat daarbij een voortrekkersrol spelen. Onder invloed van Verlichtingsfilosofen als Locke, Condorcet en de Duitse psycholoog Herbart stimuleert de Nederlandse overheid dan ook een meer kindvriendelijke, op de verstandelijke ontwikkeling gerichte didactiek.

Dat zich daarbij ook, in onze ogen zeer moderne, didactische situaties kunnen voordoen, laat een afbeelding uit de tweede helft van de negentiende eeuw mooi zien. De klas ziet er uit als een studiehuisje met twee docenten en zelfstandig- en samenwerkende leerlingen. Het doel van het bijbehorende rijm van Jacob Spoel is de `zelfregulatie' te bevorderen: ``Wie bij 't leeren vordren wil, sta bij 't leeren somtijds stil.''

In de loop van de negentiende eeuw vindt er evenwel een essentiële verandering plaats. De aan te leren vaardigheden en de cultuurinhouden komen losser van elkaar te staan. En de staat verruilt daarbij zijn cultuurpolitieke verantwoordelijkheid voor een meer neutrale rol. Er zijn ten minste drie factoren die deze verschuiving in gang zetten en versterken. Aan de basis ligt vermoedelijk de industrialisatie die tot een economisch gefundeerd en in Nederland vèrgaand gedifferentieerd onderwijsstelsel leidt. De convergentie naar dat éne doel, beschaving, wordt losgelaten. Voor kinderen uit de hogere standen blijven vaardigheden en bestudeerde culturele teksten met elkaar in verbinding staan. Maar voor de kinderen uit de arbeidende klasse worden vaardigheden als lezen en schrijven nu gericht op direct nut. Zij zullen praktische instructie moeten kunnen lezen.

De tweede factor is de Schoolstrijd en de daaruit voortvloeiende levensbeschouwelijke verzuiling (met de onderwijspacificatie in 1917). Die heeft tot gevolg dat de overheid zich voortaan neutraal opstelt in cultuurpolitieke, onderwijsinhoudelijke en pedagogische kwesties. De overheid mag weliswaar eisen van deugdelijkheid stellen en zich binnen die verantwoordelijkheid bemoeien met de examenprogramma's. Maar kwesties die de toegankelijkheid van het onderwijs betreffen, of dat nu gaat om de organisatie van het onderwijs of om de inhoud ervan, raken al gauw ook de vrijheid van onderwijs en blijven daarom lang omstreden.

`Het kind'

Dankzij deze nieuwe nadruk op `direct nut' en de verzuiling is de invloed van de derde factor, de psychologie en de pedagogiek des te groter. Er is vermoedelijk geen land waar die nieuwe wetenschappen meer aanslaan dan in Nederland. `Het kind' wordt het nieuwe oriëntatiepunt dat de cultuurhistorische bakens vervangt: hoe het kind leert, hoe het zich ontwikkelt, en hoe het blijk geeft van talenten.

Er ontstaan twee stromingen in de psychologie en pedagogiek. De eerste stroming baseert zich op ontwikkelingspsychologische inzichten. Het gaat om Reformpedagogen als Montessori, Decroly, Key, en in Nederland Jan Ligthart (1859-1916). Zij vinden dat het onderwijs de natuurlijke, min of meer vaste ontwikkelingsgang van het kind zo goed mogelijk dient te volgen. Cultuurinhouden zijn daarmee niet meer vormend op zichzelf, maar alleen relevant als het kind erom vraagt. De Montessorianen zijn daarin het meest geprononceerd, maar ook anderen volgen het ontwikkelingsgerichte denken, dat in elk geval in het `leeftijdsklassenprincipe' is terug te vinden .

De tweede, in de twintigste eeuw minstens even invloedrijke stroming laat zich leiden door de testpsychologie. Deze stroming wil objectief vaststellen of leerlingen voldoen aan bepaalde prestatienormen. Zo kan worden bepaald of een kind kan worden toegelaten tot een bepaald schooltype. Men veronderstelt daarbij dat de gemeten prestatie grotendeels gedetermineerd is door de genetische eigenschappen van het kind, in het bijzonder diens intelligentie, en door de leeftijd. Met prestatiemeting kan dan ook het toekomstig schoolsucces van leerlingen worden voorspeld. Invloedrijk vertolker is de psycholoog J. Luning Prak die in 1932 pleit voor een zo vroeg mogelijke selectie op basis van intelligentie en voor een segregatie van het 'achterlijkste' deel van de bevolking.

De twee psycho-pedagogische stromingen hebben allerlei consequenties. Naast het verdringing van de onderwijsinhouden door de onderwijsmethoden als centrale onderwijskundige vraag en de introductie van het leeftijdsklassensysteem, bevordert met name de testpsychologisch georiënteerde stroming een waarlijk nationale preoccupatie met `domheid'. De standpunten van leraren liegen er niet om. Neem het volgende citaat van leraar A. van Oven jr. uit 1928:

``Laat het mulo. tevreden zijn met wat het heeft bereikt, het is niet weinig, het levert leerlingen af waaronder velen, die toen zij het Lager Onderwijs verlieten als te dom voor hbs en gymnasium werden gequalificeerd en die na 3 of 4 jaren het mulo-diploma behaalden, en daarna op kantoren goed voldoen of op handelsscholen en dergelijke inrichtingen geen slecht figuur maken, maar het mulo moet vooral één ding nooit doen en dat is trachten op te leiden tot de hoogere klassen der hbs.''

Mislukken

De inbreng van enkele vooraanstaande psychologen en pedagogen nuanceert een en ander gelukkig wel. Zo twijfelen sommigen aan de validiteit van de methoden en instrumenten om de geschiktheid van leerlingen vast te stellen. Aan de hand van de statistieken die men sinds de jaren twintig bijhoudt, wordt eind jaren dertig duidelijk dat noch het toelatingsexamen, noch het oordeel van de onderwijzer een betrouwbare voorspelling geven. En veel kinderen die worden toegelaten tot de HBS mislukken daar alsnog. Een toonaangevende psycholoog als Ph. Kohnstamm meent dat de brede kennistoets en het schrijven van een opstel ontoereikend zijn als selectiemiddel.

Merkwaardig genoeg ontbreekt vooralsnog één positie in dit Nederlandse selectiedebat. Dat is de opvatting dat het juist de cultuur is die de intellectuele ontwikkeling van kinderen mogelijk maakt en dat daarom eerst een cultureel fundament gelegd moet worden voordat er überhaupt geselecteerd kan worden. Deze opvatting verwoorden internationaal bekende psychologen als L. Vygotsky, H. Wallon en J. Bruner. In omringende landen biedt deze opvatting in verband met het selectievraagstuk een belangrijk tegenwicht tegen het IQ-test-denken. In Nederland is de voedingsbodem kennelijk gering. Het meest nog in deze traditie passen de 'rode schoolmeesters', zoals Theo Thijssen, die een derde weg zoeken tussen de `hogere' cultuur en hun belangstelling voor het lerende kind. Zij zijn het die voor hun kinderen trachten een kindvriendelijke `verheffing' te organiseren, bijvoorbeeld door een bezoek aan het Paleis voor Volksvlijt.

Dit is een bewerkt fragment van een essay uit de volgende week te verschijnen bundel `Rekenschap 1650-2000', het vijfde deel in de SDU-serie `Nederlandse Cultuur in Europese Context'.