Agrarisch natuurbeheer is niet heilig

In Nederland wordt op weinig kritische wijze gekeken naar agrarisch natuurbeheer. Dat leidt tot overdreven verwachtingen en verkeerde conclusies, menen David Kleijn en Frank Berendse.

Veel Nederlanders hebben een warm plekje in hun hart voor de natuur in het agrarische landschap. Toen wij op basis van wetenschappelijk onderzoek vorige maand in het blad Nature concludeerden dat het agrarisch natuurbeheer in Nederland nauwelijks het verwachte positieve effect heeft, was de kritiek niet mals.

Zo stelden T.C.P Melman en anderen in NRC Handelsblad (23 oktober) dat het onderzoek te beperkt is en de conclusies voorbarig zijn. Hun argumenten ontberen echter een degelijke basis. Voor alle duidelijkheid: wij onderschrijven de doelstellingen van agrarisch natuurbeheer van harte. De bedoelingen van het beleid zijn prima, ook die van de deelnemende boeren. Maar de maatregelen leveren niet het gewenste resultaat op.

Er wordt in Nederland op een weinig kritische manier tegen agrarisch natuurbeheer aangekeken, wat hoge verwachtingen schept. Illustratief is de vergelijking die Melman c.s. maken tussen percelen met uitgestelde maaidatum en percelen ,,met andere vormen van weidevogelbeheer'' en deze vervolgens gebruiken als bewijs dat het wel werkt.

We geloven graag dat de grote inzet van een agrarische natuurvereniging de weidevogels ten goede komt. Alleen, dat raakt onze conclusie niet. Die was dat gemiddeld in Nederland er geen positief effect van beheersovereenkomsten met boeren kan worden aangetoond.

Daarnaast kan uit vergelijkingen zoals Melman c.s. die maken, niet de effectiviteit van agrarisch natuurbeheer worden afgeleid, omdat zonder voldoende herhalingen en een verantwoorde statistische analyse niet duidelijk is of de waargenomen verschillen het gevolg zijn van beheersovereenkomsten dan wel van verschillen in bijvoorbeeld bodemtype of grondwaterstand.

Wij hebben in negen regio's, verspreid over geheel Nederland en door loting gekozen, het land van een groot aantal boerenbedrijven geïnventariseerd op vogels, planten, zweefvliegen en bijen. Door een analyse van de resultaten van bedrijven met en zonder beheersovereenkomst, die steeds dezelfde grondwaterstand, landschapsstructuur en bodem hadden, konden we een beeld krijgen van de landelijke effectiviteit van deze vorm van agrarisch natuurbeheer.

De critici zien vier belangrijke beperkingen van het onderzoek.

Verschillen in uitgangssituatie zouden beheerseffecten geruime tijd kunnen maskeren. Dit is een reëel probleem bij een kleine steekproef. Bij een grote steekproefomvang, zoals die in de huidige studie, worden verschillen in uitgangssituatie echter `uitgemiddeld'.

Weidevogelovereenkomsten met verschillende (uitgestelde) maaidata zouden afzonderlijk moeten worden geanalyseerd.

Ons ontgaat de noodzaak hiervan. Een vergelijking van percelen met en zonder uitgestelde maaidatum zou dan een positief effect moeten laten zien, als de beheersovereenkomsten effectief zijn. Daarentegen vonden wij echter gelijke aantallen en, in het geval van de grutto, kievit, scholekster en tureluur, zelfs lagere aantallen vogels op percelen met beheersovereenkomsten.

Er zou geen rekening gehouden zijn met mogelijke andere vormen van weidevogelbescherming op de gangbare controlepercelen (zonder agrarisch natuurbeheer), waardoor geen eerlijke vergelijking zou zijn gemaakt. Als voorbeeld wordt hier de nestbescherming door vrijwilligers genoemd. Ook dit is een onjuiste veronderstelling over onze onderzoeksmethode. Wanneer er in het controlegebied sprake was van nestbescherming, dan moesten ook in het onderzochte gebied met beheersovereenkomst de nesten worden beschermd. In de gebieden speelde nestbescherming door vrijwilligers trouwens zelden een rol, terwijl ze toch zeker tot de betere weidevogelgebieden behoorden.

Voor het beoordelen van de effecten van botanisch beheer zou een langere periode nodig zijn dan de onderzochte 5 à 6 jaar. Inderdaad, het verhogen van de soortenrijkdom van vegetaties is een kwestie van een lange adem. Beheersovereenkomsten worden echter voor maximaal 6 jaar afgesloten, daarna kan een boer besluiten te stoppen. Als er derhalve binnen zes jaar geen effect is, is het ecologisch nut van de overeenkomst twijfelachtig. Maar ook in de gebieden waar de beheersovereenkomsten een aantal malen waren verlengd (tot ca. 15 jaar) bleek geen duidelijk positief effect te kunnen worden vastgesteld. Een belangrijke oorzaak hiervoor kunnen omgevingsfactoren zijn waar de boer geen invloed op heeft, zoals het gebrek aan zaadbronnen in de directe omgeving, het wegvallen van kwelstromen of een verlaging van de grondwaterstand. De boer kan dan wel op het juiste tijdstip maaien, maar bij het uitblijven van herstel van de noodzakelijke externe voorwaarden, zal dat beheer niet leiden tot het herstel van een soortenrijke vegetatie. Een andere oorzaak is wellicht het gebrek aan deskundigheid bij een deel van de boeren en het gebrek aan begeleiding door ecologen. Agrarische natuurverenigingen kunnen in dit opzicht een belangrijke rol vervullen.

Wij hebben geen vergelijking gemaakt tussen de effectiviteit van beheersovereenkomsten en reservaatsbeheer. Desondanks hebben we wel opmerkingen gemaakt over de optimale verdeling van middelen binnen het Nederlandse natuurbeleid. Er worden momenteel serieuze voorstellen gedaan om fondsen die gereserveerd zijn voor de aankoop van gronden ter realisering van de Ecologische Hoofdstructuur te gebruiken voor agrarisch natuurbeheer. Deze voorstellen worden `onderbouwd' met argumenten dat agrarisch natuurbeheer efficiënter is dan gangbaar natuurbeheer omdat de gronden niet aangekocht hoeven te worden. Uit ons onderzoek blijkt dat deze stelling niet verdedigbaar is. Wel is het zo, dat de bescherming van weidevogels voor een belangrijk deel plaats zal moeten vinden buiten reservaten. Voor effectief agrarisch natuurbeheer blijft hier een belangrijke rol weggelegd.

David Kleijn en Frank Berendse zijn verbonden aan de Leerstoelgroep Natuurbeheer en Plantenecologie van de Wageningen Universiteit.